Vier jaar geleden verloor Sabine plotseling haar tweelingzus Saskia. Niemand kon haar troosten - ook haar eigen man niet. “Er zijn meer mannen op de wereld, maar een tweelingzus is onvervangbaar.”

“Elke ochtend als ik opsta, zie ik Saskia’s gezicht in de spiegel. Nog voor de dag goed en wel begonnen is, word ik met haar geconfronteerd. Ik zie haar langzaam ouder worden, ouder dan ze ooit is geweest. Vier jaar geleden is ze overleden, mijn tweelingzus, die sprekend om mij leek. Een tijdbestek waarin je een verlies toch een plek zou moeten kunnen geven. Mij lukt dat nog steeds maar mondjesmaat." 

Mijn haar afknippen
"Soms denk ik dat het zou helpen als ik mijn haar af zou knippen en onze lange krullen zou laten verdwijnen in de afval-bak, de krullen waar wij zo trots op waren. En als ik een donkere spoeling zou nemen en een bril zou dragen, in plaats van lenzen. Misschien dat ze dan minder aanwezig zou zijn in mijn dagelijks leven. Tegelijkertijd wil ik haar helemaal niet laten gaan. Want ik mis mijn zus meer dan ik zeggen kan - of zeggen durf.
Saskia en ik waren een eeneiige tweeling. Dat we met z’n tweeën waren, was voor onze moeder een grote verrassing. Toen ik geboren was, riep de arts plotseling: ‘Er komt er nog een!’ Achteraf een leuk verhaal, maar op het moment zelf waren onze ouders totaal overdonderd. Saskia en ik maakten er vaak grapjes over. We zeiden dan dat we tot aan de geboorte één waren geweest en ons pas op het allerlaatste moment hadden verdubbeld." 

Twee-eenheid
"In al mijn jeugdherinneringen komt Saskia voor. Ik denk dat dat normaal is bij twee­lingen. Je groeit tenslotte samen op en wordt door de buitenwereld als twee-eenheid gezien, vroeger nog meer dan nu. Indertijd was het heel gebruikelijk dat tweelingen dezelfde kleren droegen. Ook Saskia en ik hadden altijd hetzelfde aan, tot aan de middelbare school. Toen eisten we verschillende kledingstukken, maar alleen omdat we zo samen een grotere garderobe hadden. We deelden onze kleding, zoals we alles deelden. Ruzie was er nooit, zelfs niet toen we nog peuters waren, vertelde mijn moeder ons. Samen konden we heel dwars zijn en anderen buiten­sluiten. Maar elkaar? Nooit. Mijn moeder maakte zich daar weleens zorgen over. We hadden ons eigen taaltje en waren volledig op elkaar gefocust."

Lees ook: 'Ik ben hopeloos verliefd op een twintig jaar jongere woestijnprins'

Zij was mij altijd een stap voor
"Toen we in de puberteit kwamen en ons bewust werden van onze eigen identiteit, verschillende talenten en interesses, was het dan ook moeilijk om elkaar te laten gaan. Saskia had als eerste een vriendje. Typerend; hoewel zij jonger was, was zij mij altijd een stap voor, net iets minder afhankelijk van mij dan ik van haar. Ik was vreselijk jaloers. Het is de enige periode geweest waarin we weleens met elkaar overhoop lagen. Ik voelde me in de steek gelaten door haar. Pas toen ik zelf ook verliefd werd, begreep ik haar en kwam er weer balans. Het was best goed om op eigen benen te leren staan. We kregen langzaamaan een eigen leven, eigen vrienden. Toch bleef onze band ongelooflijk hecht, sym­biotisch haast. We deelden alles en voelden elkaar naadloos, vaak zonder woorden, aan." 

Ik voelde me onbegrepen
"Bij mij is dat van grote invloed geweest op mijn liefdesleven. Ik ben de symbiose die ik met mijn zus voelde altijd bij een man blijven zoeken. Soms dacht ik die te vinden, tijdens de verliefdheidsfase. Maar telkens raakte ik weer gefrustreerd in relaties. Bij misverstanden kon ik me zo eenzaam voelen. Niet-verbonden en onbegrepen. Saskia had dat minder; zij trouwde met haar eerste liefde en was gelukkig met hem. Maar ze snapte wel wat ik bedoelde en kon me goed troosten. ‘Je moet de lat niet zo hoog leggen’, adviseerde ze me. ‘Wat jij en ik hebben, daar kan niets aan tippen. Maar dat zegt niet dat niets goed genoeg kan zijn.’
Tien jaar nadat zij trouwde, vond ook ik een man met wie ik het aandurfde. Thomas accepteerde dat Saskia er altijd was: elke dag per telefoon en ook heel vaak in levenden lijve. En hij begreep dat ik absoluut niet weg wilde uit de plaats waar Saskia woonde. Thomas heeft eens een baan afgeslagen, omdat we ervoor zouden moeten verhuizen. Dat wilde ik niet, simpel."

Zwarte nacht
"Gelukkig kon hij heel goed overweg met Saskia’s man. We waren kind aan huis bij hun gezin. Saskia had twee kinderen, Thomas en ik geen. Na een kort ziekenhuistraject hadden we besloten dat dat niet onze weg was. We gaven ons leven een andere invulling en dat was prima. Ik had het goed en was gelukkig. Tot die zwarte nacht, vier jaar geleden. Ik was vroeg naar bed gegaan, maar werd midden in de nacht wakker met stekende hoofdpijn. Ik lag een tijdje te draaien en stond toen op om paracetamol te pakken. Ik nam ook een slaappil. Daarna ben ik weer weggedommeld. Een paar uur later, om zeven uur ’s ochtends, ging de telefoon. De stem van Saskia’s man klonk schor, ik kon hem bijna niet verstaan. Hij vertelde dat hij in het ziekenhuis was. Hij sprak aarzelend en ik wist meteen dat het fout was. En ik had gelijk, helaas. Hij was wakker geworden en had gemerkt dat Saskia niet naast hem lag. Hij was gaan zoeken en had haar op de badkamervloer gevonden, stil en koud. De ambulancebroeders, die hij meteen had gebeld, hadden niets meer kunnen doen. Een hersenbloeding was haar fataal geworden."

Schuldgevoel
"Versteend hoorde ik mijn zwager aan. Ik kon gewoon niet geloven dat het waar was wat hij zei. Dit kon niet over mijn zus gaan. Saskia, die was onderdeel van mij. Hoe kon ík er nog zijn als haar iets was overkomen? Het voelde zo onwerkelijk. Toen schoot me mijn hoofdpijn te binnen. Saskia en ik hadden altijd gelachen over dingen van elkaar fysiek aanvoelen. Ja, wij waren symbiotisch, maar het was niet zo dat als zij pijn had, ik dat ook had. Dit keer wel dus. Ik wist zeker dat ik mijn stekende pijn op het moment van haar hersenbloeding had gekregen en nam het mezelf ontzettend kwalijk dat ik de pijn had genegeerd en zelfs een slaappil had genomen. Het voelde alsof ik Saskia aan haar lot over had gelaten. Mijn verstand kon dat relativeren, maar mijn hart zei heel wat anders."

Ik kon amper huilen
"De week van de begrafenis is volkomen langs me heengegaan. Ik deed wat ik moest doen, ik regelde dingen, gaf advies, troostte mijn ouders en droogde de tranen van Saskia’s kinderen… Maar ik was er niet bij. Ik kon ook amper huilen. Alsof de pijn te heftig was om toe te laten. Alsof ik met mijn tranen zou bevestigen dat het wáár was. Iedereen vond het vreemd dat ik zo rustig was. Ze noemden me dapper. Ook mijn man Thomas. Hij deed zijn best om me te bereiken, probeerde door mijn masker heen te prikken. Maar als hij zijn armen om me heen wilde slaan, werd ik boos.
Ik moest op mijn lippen bijten om het niet uit te schreeuwen. Ik kon me gewoon niet laten troosten. 'Was jíj maar dood', dacht ik op zulke momenten. ‘Dat zou ik ook vreselijk vinden, maar daar zou ik wel overheen komen. Er zijn meer mannen op de wereld, en heus ook meer mannen die bij mij passen. Maar een tweelingzus, daarvan heb je er maar een. Die is onvervangbaar.’ Vreselijk, om dergelijke gedachten te hebben. Dat kon ik toch niet menen, dacht ik vaak, zo slecht was ik toch niet? Ik hield toch ook van hem? Ja, dat deed en doe ik. Maar toch: van Saskia hield ik gewoon nog net wat meer, vrees ik."

Diepe rouw
"Pas na een halfjaar kwamen de tranen. En ze zijn toen ook heel lang blijven stromen. Er werd een burn-out vastgesteld en ik was een tijd uit de running. Hoewel ik inmiddels heb geleerd hoe ik mijn tranen moet verbergen, is de pijn er nog steeds. Ik voel me geamputeerd. En ik weet niet of dat ooit zal overgaan. Ik ben verhalen gaan lezen van andere tweelingen, die ook hun ‘andere helft’ zijn verloren. Dat heeft me geholpen, ik vond er veel herkenning. Pas toen ik las dat het overlijden van je eeneiige tweelingbroer of -zus net zo’n impact heeft als de dood van een kind, voelde ik me minder schuldig over mijn gedachten over mijn man Thomas. Ik weet nu dat het normaal is, het hoort bij de rouw. En ik heb verschrikkelijk veel steun aan hem. Hij is er voor me, onvoorwaardelijk. Dat is fantastisch. Ook haal ik veel kracht uit Saskia’s kinderen. Wij zijn elkaars grote steun. Ik zie Saskia in hen en zij zien hun moeder in mij. Dat is heel erg dierbaar. Zij vormen voor mij de belangrijkste motivatie om toch te proberen nog wat van het leven te maken en gelukkig gaat me dat steeds iets beter af. Ondanks de stekende pijn bij elke blik die ik in de spiegel werp. Ik probeer blij en dankbaar te zijn dat Saskia zo lang bij me was, in plaats van alleen maar te treuren om haar dood.”   

Een plek voor lotgenoten: www.tweelingalleen.nl

Annemarie(46) had nooit gedacht dat haar dochter in de gevangenis zou belanden en al helemaal niet dat ze vervolgens zelfs de steun van haar vriendinnen kon vergeten... 

‘In het dorp waar we wonen, gaat het als een lopend vuurtje dat Denise in de gevangenis zit. Op straat kijken mensen anders naar me en ik zie hen tegen elkaar fluisteren: “Kijk, daar loopt ze.”

Achter mijn rug om bekritiseren ze ook mijn opvoedingsstijl. Ik zou niet streng genoeg zijn geweest. Soms twijfel ik aan mezelf. Heb ik inderdaad steken laten vallen?

Mijn man overleed een jaar na de geboorte van onze dochter. De opvoeding van Denise kwam daardoor volledig op mij neer. Ik combineer een bijna-fulltime baan in een delicatessenwinkel met de zorg voor haar. Maar eigenlijk ging dat al die tijd best goed.

Haar naïviteit baarde me wel eens zorgen

Ze zat op hockey en had een verzorgpony waarmee ze veel tijd doorbracht. Een lief en gezellig kind. Wel merkte ik al eerder dat ze erg goedgelovig is. Ze kan bijvoorbeeld niet altijd goed inschatten of iemand  een grapje maakt of niet. Die naïviteit baarde me weleens zorgen, omdat het haar kwetsbaar maakt.

Maar door mijn drukke baan had ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan.

Social media

Zo'n jaar geleden, Denise was net zestien geworden, ging het me irriteren dat ze continu met social media in de weer was. Als ik uit mijn werk kwam, trof ik haar steevast aan op haar kamer met haar mobiel in haar hand. Zelfs ’s avonds in bed kon ze geen afscheid nemen van haar telefoon. 

Op een avond tijdens het eten bracht ik haar gedrag ter sprake. Toen biechtte ze me op: “Mam, ik heb een leuke jongen leren kennen via Instagram.”

Naar onderbuikgevoel

Het bleek een jongen van een andere school, maar hij was pas zeventien en ik zag er in eerste instantie niet veel kwaads in. Toch kreeg ik, toen ze me een paar weken later voorstelde aan deze Michael, een naar onderbuikgevoel. En naarmate de dag vorderde, werd mijn gevoel sterker.

Hij deed overdreven vriendelijk tegen mij, terwijl ik hoorde dat hij haar, boven op haar kamer, commandeerde. Toen hij weg was, begon ik erover. Maar Denise werd boos: hij was juist geweldig. Ik wist dat aandringen een averechts effect zou hebben, dus liet ik het maar op z’n beloop.

Totdat ze op een gegeven moment tussen neus en lippen door vertelde dat hij een paar keer in aanraking was geweest met de politie, wegens diefstal. Ik werd ongerust, zei meteen dat ze moest stoppen met de relatie. Maar ze was te verliefd om te gehoorzamen.

Een paar maanden later vertelde ze dat een jongen uit haar klas gek op haar was. Hij vond zichzelf een veel betere partij voor haar dan Michael en dat liet hij haar nadrukkelijk merken. Zij vond het wel vermakelijk, maar toen Michael het hoorde, werd hij woest.

Ik raakte volledig in shock

Het weekend daarop ging ik naar een vriend buiten de stad. Hij had gevoetbald en we liepen net van het veld naar de kantine, toen mijn telefoon ging. Het bleek mijn beste vriendin te zijn, die me vertelde: “Je dochter is net door politieagenten meegenomen in een busje. Bel even de politie om te horen wat er aan de hand is.”

Maar wat er precies gebeurd was, hoorde ik pas in de rechtbank. Ik raakte volledig in shock toen ik het mijn dochter aan de rechter hoorde vertellen.

Michael had de jongen die achter zíjn vriendin aanzat een lesje willen leren. Hij had een gruwelijk plan bedacht, dat ze samen zouden uitvoeren.

Denise vroeg de jongen, via WhatsApp, naar haar toe te komen. Ze wachtte hem op bij een bushalte in ons dorp. Toen hij uitstapte, kwam Michael vanachter een geparkeerde auto tevoorschijn met een doek voor zijn mond en neus.

Hij greep de jongen met een nekklem vast, dreigde met een mes en eiste zijn portemonnee. Toen hij die gekregen had, stak hij de jongen nog eens keihard in z'n bovenbeen en rende vervolgens weg.

Toen de ambulance en de politie arri­veerden, loog Denise, zoals ze met haar vriendje had afgesproken, tegen de agenten dat ze de overvaller niet kende. 

Een halfjaar detentie

Een halfjaar detentie in een jeugdgevangenis legde de rechter mijn dochter op. De straf was zo hoog, omdat ze het krankzinnige plan samen hadden beraamd en uitgevoerd. Mijn dochter werd gezien als medepleger van straatroof met geweld.

Nog voel ik de woede die me overviel. Gericht op Michael. Hij had mijn wat naïeve, maar beschaafde meisje meegesleurd in de drek. Volledig van de kaart was ik.

Nadat ze gearresteerd was, heb ik twee weken niet geslapen, omdat ik vol adrenaline zat. Flarden van wat er gebeurd was, bleven maar door mijn hoofd schieten. Werken ging ook niet meer; ik moest me ziek melden.

Dit is een echte gevangenis

De eerste keer dat ik mijn dochter bezocht in de gevangenis herinner ik me nog goed. Na een treinreis van tweeënhalf uur liep ik over het bospad in de richting van de jeugdgevangenis.

In de verte zag ik een groot gebouw opdoemen. Het leek op een villa met een mooie tuin eromheen. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik de hoge hekken, overal beveiligd met schrikdraad. “Dit is een echte gevangenis,” schoot het door me heen, alsof het nu pas echt tot me doordrong. “En hier zit mijn kind nu.”

Binnen moet je eerst alles afgeven: sleutels, telefoon, riem. Dan ga je naar de wachtruimte, waar ook de andere mensen zitten die een gedetineerde komen bezoeken.

Ik ging zitten, keek rond en liet mijn oog even rusten op een vrouw met een korte broek en een vaal shirt. Onze ogen kruisten elkaar kort toen ze me boos toeschreeuwde: “Waarom kijk je naar me?” Ik schrok. Het was een totaal andere wereld waarin ik terecht ben gekomen. Een wereld waar je echt niet in wilt zitten.

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen

Tussen twee bewakers in liepen we naar de kantine. Daar zat Denise te wachten aan een tafeltje. “Wil je koffie mam?” vroeg ze, terwijl ze opstond om naar de koffie-­automaat te lopen. Ze zette twee plastic bekertjes op de tafel voor ons neer en kwam naast me zitten. Zwijgend zaten we even naast elkaar.

Toen zei ze: “Niet meteen kijken, maar dat meisje daar verderop links van je, heeft haar vader en haar broer vermoord.” Vanuit mijn ooghoeken zag ik een knap meisje met donkere krullen zitten. Ook zag ik een meisje met haar armen vol snijwonden. Het was behoorlijk schokkend, allemaal. 

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen: “Denise, waarom heb je dit gedaan? Waarom?” Ik vertelde dat haar oma ook enorm geschokt was. “Ik weet het niet mama, maar ik was bang. Bang voor wat Michael mij zou aandoen als ik niet meedeed.”

Na een uur zei een van de medewerkers met een zware, harde stem: “Het bezoekuur is afgelopen.” Denise stond op, omhelsde me en zei huilend: “Mam, ik hou onwijs veel van jou. En het spijt me wat ik gedaan heb.”

Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer

Ik weet dat ze het meent, maar de situatie heeft onze sociale positie in het dorp enorm aangetast. Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer. Ik kan met hen niet praten over de situatie, omdat ik me schaam.

Hun afkeurende houding, hoe ze naar me kijken als ik ze tegenkom, versterkt dat gevoel. Maar er zijn ook mensen die mij enorm steunen. Mijn moeder, mijn beste vriendin, mijn collega’s. Met hen is de band juist versterkt.

Dat is een voordeel, als je het zo mag noemen, van deze situatie: je merkt wel feilloos wie je echte vrienden zijn.’

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Anne (54) verloor haar dochter en zocht verdoving in de alcohol. Vier jaar verder lijkt het onmogelijk dat ze drank ooit nog opgeeft.

‘Twee weken geleden stond ik om half tien in de avondwinkel. Met een fles witte wijn in mijn handen. Ineens dook er een buurvrouw naast me op. “Feestje?” vroeg ze met een glimlach. Ik smoesde iets over onverwacht bezoek en dat ik niets in huis had.

In de auto kwamen de tranen

Voor de vorm greep ik nog naar een zak nootjes. Daarna draaide ik me gehaast om, bang dat ze aan mijn gezicht zou aflezen dat ik loog. Of dat ze zou ruiken dat ik al een aantal glazen wijn achter de kiezen had. 

Of ik haar een lift naar huis kon geven: ik hoorde heus nog wel dat ze dat riep. Maar ik hield me van de domme. Dat ik zelf de auto was ingestapt met drank op was al erg genoeg, al was het maar een paar straten rijden. Maar aangeschoten en wel een passagier meenemen? Geen denken aan.

In de auto kwamen de tranen; ik besefte weer eens goed hoe dom ik bezig was en ik schaamde me zo. Thuis bleek er maar een remedie: de fles opentrekken en een glas inschenken. En vervolgens doordrinken totdat ik de schaamte verdrongen had.

Totdat ik haast niets meer voelde en zonder gedachten in bed kon kruipen.

Tot vier jaar geleden was ik een matige drinker

In mijn studententijd ben ik weleens dronken geweest, maar toen ik trouwde, kwam dat allang niet meer voor. Toen ik kinderen kreeg, ben ik vanzelfsprekend lange periodes gestopt met alcohol en dat kostte me geen enkele moeite.

Mijn man was wel een behoorlijke innemer. In de eerste tien jaar dat we samen waren, stoorde me dat niet, toen werd hij nog gezellig van drank.

Later, toen het met ons huwelijk al bergafwaarts ging, begon hij een kwade dronk te krijgen. Dan begon hij te schreeuwen en te schelden en was hij niet meer voor rede vatbaar.

Ultimatum

Het liep zo uit de hand dat ik hem uiteindelijk een ultimatum stelde: als hij zou stoppen met drank, wilde ik nog wel relatietherapie proberen. Als hij het niet voor mij over had, was het maar beter dat hij vertrok. We zijn gescheiden.

Later hoorde ik dat hij een nieuwe vriendin had en voor haar wel bereid was, zich te laten behandelen. Dat deed pijn. Ik vond het pittig om er alleen voor te staan met mijn kinderen. Vooral mijn zoon baarde me grote zorgen. Hij is hoogbegaafd en had het op de middelbare school niet gemakkelijk.

Hechte band

Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn dochter, die al in de twintig was en met wie ik een hechte band had. Ondanks dat ze het huis al uit was, hadden we dagelijks contact en kwam ze vaak bij me langs.

Op een gegeven moment stonden we zelfs allebei op Tinder. We zaten samen te swipen, bekeken elkaars matches en vertelden elkaar over onze dates.

Op een zonnige zaterdag ging ze naar het strand met een jongen die ze via deze datingapp had ontmoet. Op de terugweg raakten ze betrokken bij een frontale botsing.

Ik bad onophoudelijk

Vier dagen lang heb ik aan het bed van mijn dochter gewaakt, dagen waarin ik amper sliep en waarin ik voor het eerst sinds mijn vroege jeugd weer bad, onophoudelijk.

Een week later stonden we bij haar graf. Mijn zoon en ik, mijn ex en zijn nieuwe gezin. Al onze familie en vrienden. En de vrienden van mijn dochter, jong en springlevend, zoals zij dat pas ook nog was geweest.

Ik leefde in een waas. Ik had voortdurend het gevoel dat ik straks weer wakker zou worden. Dan zou alles weer gewoon zijn. Dan zou mijn dochter nog leven. Dan zouden we weer lachen, praten, shoppen, swipen en koken.

Durfde niet te gaan slapen

Maar dat moment van wakker worden uit die afschuwelijke droom kwam niet. ’s Avonds durfde ik haast niet te gaan slapen. Elke ochtend, als de waarheid weer tot mij doordrong, deed dat zoveel pijn dat ik dacht dat ik het niet zou overleven.

Dat korte moment van onwetendheid, totdat de waarheid erin hakte, mijn hart stilstond alsof ik het nieuws voor het eerst hoorde: het was te erg. Maar hele nachten opblijven was ook geen optie. Het enige waardoor ik kon ontspannen, waren een paar glazen wijn.

Met elke slok nam het gespook in mijn hoofd af

Mijn gedachten werden trager, stroperig, tot ik, doodmoe, indutte. De kater de volgende dag vond ik ook niet erg; ook die verdoofde mijn hartzeer enigszins. 

Ik ben in die tijd bij mijn huisarts geweest. Die schreef me kalmeringspillen voor. Maar niet te veel, niet te vaak, waarschuwde hij. ‘Voordat je het weet, ben je verslaafd. Dat moeten we niet hebben.’ Ik vind het een misser dat hij niet beter naar mij keek.

De drang om mezelf te verdoven, was zo groot dat ik dat ook zonder zijn hulp wel voor elkaar kreeg. Zo werd alcohol mijn beste vriend. Dat was immers overal voorhanden, elke supermarkt staat er vol mee.

Naïef

Ik lette wel op dat mijn zoon er niets van meekreeg. Ik wilde niet dat hij zich zorgen om mij zou maken. En dat was ook nergens voor nodig, dacht ik.

Ik had dit nu nodig om de eerste tijd door te komen. Maar ik was geen alcoholist, dat had ik mijn leven lang al bewezen, als matige drinker. Dan zou ik heus niet zomaar verslaafd raken, daar moet je toch een genetische aanleg voor hebben? 

Wat een naïeve gedachte. Als je maar stug doordrinkt, komt het zo in je systeem; wordt het zo’n gewoonte, dat je niet meer zonder kunt. Inmiddels is het vier jaar geleden dat mijn dochter overleed en hoewel ik haar nog dagelijks mis, zijn er momenten dat ik weer kan lachen.

Ik weet dat niet alles verloren is. Mijn met zoon gaat het heel goed. Hij heeft een eigen bedrijf opgestart waarmee hij succesvol is. Ik heb een fijne baan, lieve vriendinnen en door wat er met onze dochter is gebeurd, zijn mijn ex en ik weer naar elkaar toegegroeid.

Niet als partners, wel als vrienden. Ik kan alles met hem delen. Bijna alles.

Ik drink nog steeds veel te veel

Want wat niemand, ook hij en mijn zoon niet, weet, is dat ik nog altijd veel drink. Te veel, veel te veel. Het lukt me om dat voor iedereen te verbergen, omdat ik alleen drink als ik thuis ben. In mijn eentje.

In gezelschap neem ik nooit meer dan één drankje, dan kan ik me heel goed inhouden. Ik taal er ook niet naar. Op die momenten ben ik graag helder, zodat ik weet wat ik doe en wat ik zeg. Maar zodra ik alleen ben, ’s avonds, dan lonkt de wijn.

Als ik thuiskom, gaat meestal binnen tien minuten de eerste fles open. Ik probeer het daar bij te houden, maar het gebeurt regelmatig dat ik er nog eentje ontkurk. Want pas dan komt de verdoving, die ik zo prettig ben gaan vinden.

Dan komt de roes waarin ik mij kan onderdompelen. Die mij ontspant en tot mezelf brengt. Daarom zorg ik ervoor dat ik tenminste drie of vier avonden thuis ben. Zodat ik me in mijn eigen wereld kan terugtrekken. Ik zorg er wel voor dat ik op tijd mijn bed opzoek. Ik wil niet dat mijn baan eronder lijdt.

Ik zag het als iets dat ik verdiende

Of mijn drankgebruik daadwerkelijk geen negatieve invloed heeft, betwijfel ik: in de ochtend voel ik me zelden fit, terwijl ik vroeger toch een ochtendmens was. Maar in de loop van de dag ga ik me altijd beter voelen en daardoor verdwijnen telkens weer de voornemens om het niet meer zo bont te maken.

Lang heb ik de ernst er ook niet van ingezien. Ik zag het als troost, als iets wat ik verdiende. 

Hoe erg het was, ontdekte ik pas toen ik vorig jaar weer een relatie kreeg. De eerste tijd dronk ik minder, daarna kwam de trek terug. Wanneer hij het hele weekend bij me was, stuurde ik hem op zondagavond vaak naar huis. Om een fles wijn open te kunnen trekken.

Ik ben fout bezig, zelfdestructief

Ik was continu bezig met verbergen dat ik dronk. Ik forceerde weleens een ruzie om alleen te zijn. Uiteindelijk heb ik het uitgemaakt. Dat was simpeler dan steeds maar liegen. Toen besefte ik wel: ik ben fout bezig. Zelfdestructief, ook dat.

Als ik in de auto stap naar de avondwinkel, weet ik ook heel goed hoe verkeerd het is. Ik heb me na die pijnlijke ontmoeting met de buurvrouw voorgenomen om dat nooit meer te doen; dan pak ik de fiets maar.

Veel beter zou ik natuurlijk kunnen besluiten om op te houden met deze verschrikkelijke gewoonte.

Ik heb zelfs iemand in de buurt die mij heel goed zou kunnen helpen: mijn ex. Maar vooralsnog is de schaamte te groot om open kaart met hem te spelen.’