Vera (57) trouwde bijna dertig jaar geleden in gemeenschap van goederen, tegen het advies van haar vader in. Nu zij en haar man van elkaar vervreemd zijn, heeft ze daar veel spijt van. 

"Ik heb sinds vier jaar een eigen slaap­kamer in de villa waar ik woon met mijn man Frans. Vorige maand hoorde ik hem op de gang terwijl ik al in bed lag. Hij ­stopte voor mijn deur. Kennelijk aarzelde hij even, want het bleef stil. Toen klopte hij aan. Dat was al meer dan een jaar niet gebeurd, maar natuurlijk wist ik precies wat hij wilde. Ik negeerde hem en deed alsof ik sliep.

Na een paar minuten hoorde ik hem weglopen. Het was alsof ik zijn afhangende schouders kon zien. De dag erna zei hij er niets over. Ik ook niet. Persoonlijke gesprekken voeren we nooit meer. En de intimiteit, waar hij kennelijk in een opwelling weer even naar verlangde, is al zo lang weg. Alles wat onze harten ooit bond, is opgelost in jaren langs elkaar heen leven en in gekibbel over de kinderen en andere zaken. En vooral in geruzie over geld. 

Hoewel we met elkaar vergroeid zijn, dat krijg je na een huwelijk van bijna dertig jaar, zou ik het liefste scheiden. Ik voel me nog jong, fit en gezond en ik zou graag alleen verder gaan om te ontdekken wat het leven nog meer voor mij in petto heeft. Maar financieel is een scheiding ingewikkeld en zal het voor veel frustraties zorgen.

Had ik maar naar mijn vader geluisterd...

Altijd als ik erover nadenk, denk ik: had ik het maar anders gedaan, ooit, toen we ­trouwden. Had ik maar naar mijn vader geluisterd. In eerste instantie al, en helemaal toen hij later nogmaals zijn standpunt liet blijken. Maar ik was eigenwijs en ging in tegen zijn nadrukkelijke wensen. Nu, na al die jaren, moet ik hem alsnog gelijk geven.

Ik kom uit een bemiddelde familie. Ik ben opgegroeid in een prachtig, statig huis. Toen ik Frans voor het eerst meenam naar een etentje, viel zijn mond open. Aan tafel, met mijn ouders en broers, herpakte hij zich al snel. Hij had gestudeerd, is heel intelligent en weet over alles mee te praten.

Dat zijn vader fabrieksarbeider was, daar schaamde hij zich niet voor. 'Ik geloof dat het leven maakbaar is', zei hij die avond. Ik herinner het me nog precies. Wat was ik trots op hem, mijn zelfbewuste vriend. En wat was ik verliefd. Dat mijn ouders liever een ander type man voor me hadden gewild, een zoon van een van hun vrienden bijvoorbeeld, kon me niet schelen. Ik wilde Frans, en al zou mijn vader hoog en laag springen, ik zou met hem trouwen.

Houd geld en liefde gesscheiden

Mijn vader zag dat het echte liefde was. Dat gunde hij me. Bovendien mocht hij Frans graag en zag hij dat hij veel in zijn mars had. Dus hij legde ons geen strobreed in de weg. Het enige waar hij bij me op aandrong, was dat ik niet zou trouwen in gemeenschap van ­goederen. 'Jij zult later veel geld krijgen', zei hij. 'Hou geld en liefde gescheiden, dat is beter. En geef je zelfstandigheid niet weg. Je weet nooit hoe het leven zal lopen.'

Ik nam zijn advies niet serieus.

Huwelijkse voorwaarden vond ik zo onromantisch. Als je trouwt, doe je dat toch voor het leven? Ik wilde me aan Frans verbinden, in goede en in slechte tijden. En alles met hem delen, niet meteen al met een slag om de arm beginnen. Ik dacht ook dat Frans beledigd zou zijn als ik het hem zou voorstellen. Dus nee, hoe mijn vader er ook op aandrong, huwelijkse voorwaarden waren voor mij simpelweg niet bespreekbaar.

Heel goed gehad

Frans en ik hebben het jarenlang heel goed gehad samen. We kregen vier gezonde ­kinderen, waaronder een tweeling. Terwijl ik voor ons gezin zorgde, maakte Frans ­carrière. Hij was net voor zichzelf begonnen toen mijn ouders, kort na elkaar, overleden. Ik erfde samen met mijn broers een aardig kapitaal. Mijn vader, niet voor één gat te vangen, had er voor mij een uitsluitingsclausule aan verbonden. Het geld ontving ik op mijn naam en viel buiten het gemeenschappelijk bezit.

Ik had verdriet om mijn vaders dood, maar voelde me ook gekwetst. Hij respecteerde mijn keuze dus nog steeds niet. Ik besloot meteen dat mijn geld gewoon óns geld zou worden. We gingen ruimer wonen en lieten onze villa precies naar onze wensen verbouwen. Ik had eigenlijk al het geërfde geld in ons huis willen steken, Frans wilde er liever toch nog een flinke hypotheek op afsluiten. Dan kon hij de rest van het geld investeren in zijn bedrijf. Ik vertrouwde op zijn inzicht en stemde ermee in. 

'Had ik die tweede keer mijn poot maar stijf gehouden'

Een paar jaar later erfde ik onvoorzien opnieuw een flinke smak geld, ditmaal van mijn tante. Dat viel automatisch aan zowel Frans als mij ten deel. Dit keer was ik daar diep in mijn hart al niet helemaal blij mee. Frans drong aan om het merendeel van het geld opnieuw te investeren in zijn zaak.

Hoewel ik zag dat hij het goed deed en een riant jaarsalaris verdiende, voelde het niet helemaal juist dat hij aan de haal ging met het geld van mijn tante. Zij was altijd zuinig geweest en had nooit risico’s genomen. De plannen die Frans ermee had, grote investeringen in het buitenland, waren rigoureus. Het kon goed gaan, maar ook mislukken. Toch wist hij me te over­tuigen. Hij had alles goed op de rit, hij zou dat geld verdubbelen, minstens, ik moest hem vertrouwen, echt. 

Had ik mijn poot toen maar stijf gehouden

Had ik maar geëist dat we tenminste de helft op een verstandige, veilige manier zouden beleggen. Maar ik kon niet tegen Frans' enthousiasme op, en omdat hij degene was die maandelijks het geld binnenbracht, vond ik dat ik minder recht van spreken had. Alleen voor onze kinderen zetten we wat geld vast. Gelukkig maar, zij konden en kunnen dus onbekommerd studeren. En we maakten met het hele gezin een verre, dure reis. Maar daarna was er weinig over van de erfenis. 

Niet lang na Frans’ investeringen zette de crisis in. 2008 was een slecht jaar, 2009 nog slechter en dat hield alleen maar aan. Uiteindelijk moest hij het buitenlandse ­project afstoten en in Nederland werk­nemers ontslaan. Daarna stabiliseerde de situatie gelukkig wel. Hij wist te voorkomen dat we in grote problemen raakten. Maar mijn erfenissen zijn in de loop der jaren zo goed als verdwenen.

Daarmee is ook mijn liefde voor Frans ­vervaagd. Hoe slechter de zaken gingen, hoe meer wij uit elkaar groeiden. Hij trok zich terug, sloot mij buiten. En ik nam hem zijn falen meer kwalijk dan ik had gehoopt en gewild. Ik vind het niet fraai van mezelf, ik dacht dat ik echt in goede en in slechte tijden van Frans zou houden, maar tegen deze financiële dreunen bleek ons huwelijk niet bestand.

Niets zo slecht voor je seksleven als onuitgesproken verwijten

In het begin maakten we er nog ruzie over, later werd het vooral ijzig tussen ons. Zeker toen onze kinderen op eigen benen stonden. Zij waren al die jaren de bliksemafleider tussen Frans en mij geweest, ze brachten een hoop levendigheid in huis. Toen de jongste twee tegelijkertijd elders gingen studeren, werd het stil. Stil aan tafel, waar Frans en ik meestal met een krant zitten, stil op de bank, wanneer ik in mijn eentje televisie kijk terwijl Frans op zijn werkkamer zit en stil in bed. Niets zo slecht voor je seksleven als onuitgesproken verwijten.

Doordat ik een tijd slecht sliep in verband met overgangs­klachten en Frans steeds meer begon te snurken, richtte ik een kamer voor mezelf in. Algauw sliep ik daar elke nacht. In het begin kwam Frans nog wel eens langs voor intimiteiten, maar ook dat doofde uit. Nu zijn we huisgenoten, die elkaar nog wel kunnen verdragen, maar ook niet meer dan dat.

Frans’ zaak zit het laatste jaar weer in de lift. Soms vertelt hij daar vol vuur over en ik probeer dan enthousiast te reageren, maar dat gaat niet van harte. Hoe goed het ook gaat, 'mijn' geld zal hij er niet mee terugverdienen. Ik voel dat dit blijvend ­tussen ons in staat en ik zou het liefste bij hem weggaan. In mijn eentje opnieuw beginnen.

Die achteruitgang zie ik absoluut niet zitten

Maar doordat het meeste geld dat we nog hebben in zijn bedrijf zit, zal een scheiding veel voeten in de aarde hebben. Onze villa zal verkocht moeten worden, we zullen beiden naar een eenvoudiger woning moeten verhuizen. Die achteruitgang zie ik absoluut niet zitten. Ik ben nu al gefrustreerd over hoe alles is gelopen, kun je nagaan hoe ik me dán zal voelen. Dan word ik dagelijks geconfronteerd met hoe dom ik ben geweest.

Dat geld van mijn vader, ik had het nooit in onze gezamenlijke 'pot' moeten storten. Ik voelde me toen beledigd en niet serieus genomen, maar ik had het moeten zien als wijze zorg van mijn vader. Dan had ik nu tenminste een mooie woning voor mezelf kunnen kopen en had ik me geen zorgen over geld hoeven te maken. Wellicht waren Frans en ik dan zelfs nooit zo uit elkaar gegroeid als nu, maar waren we nog gelukkig geweest samen. Mijn vader had toch gelijk: geld en liefde, dat gaat niet samen.” 

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Annemarie(46) had nooit gedacht dat haar dochter in de gevangenis zou belanden en al helemaal niet dat ze vervolgens zelfs de steun van haar vriendinnen kon vergeten... 

‘In het dorp waar we wonen, gaat het als een lopend vuurtje dat Denise in de gevangenis zit. Op straat kijken mensen anders naar me en ik zie hen tegen elkaar fluisteren: “Kijk, daar loopt ze.”

Achter mijn rug om bekritiseren ze ook mijn opvoedingsstijl. Ik zou niet streng genoeg zijn geweest. Soms twijfel ik aan mezelf. Heb ik inderdaad steken laten vallen?

Mijn man overleed een jaar na de geboorte van onze dochter. De opvoeding van Denise kwam daardoor volledig op mij neer. Ik combineer een bijna-fulltime baan in een delicatessenwinkel met de zorg voor haar. Maar eigenlijk ging dat al die tijd best goed.

Haar naïviteit baarde me wel eens zorgen

Ze zat op hockey en had een verzorgpony waarmee ze veel tijd doorbracht. Een lief en gezellig kind. Wel merkte ik al eerder dat ze erg goedgelovig is. Ze kan bijvoorbeeld niet altijd goed inschatten of iemand  een grapje maakt of niet. Die naïviteit baarde me weleens zorgen, omdat het haar kwetsbaar maakt.

Maar door mijn drukke baan had ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan.

Social media

Zo'n jaar geleden, Denise was net zestien geworden, ging het me irriteren dat ze continu met social media in de weer was. Als ik uit mijn werk kwam, trof ik haar steevast aan op haar kamer met haar mobiel in haar hand. Zelfs ’s avonds in bed kon ze geen afscheid nemen van haar telefoon. 

Op een avond tijdens het eten bracht ik haar gedrag ter sprake. Toen biechtte ze me op: “Mam, ik heb een leuke jongen leren kennen via Instagram.”

Naar onderbuikgevoel

Het bleek een jongen van een andere school, maar hij was pas zeventien en ik zag er in eerste instantie niet veel kwaads in. Toch kreeg ik, toen ze me een paar weken later voorstelde aan deze Michael, een naar onderbuikgevoel. En naarmate de dag vorderde, werd mijn gevoel sterker.

Hij deed overdreven vriendelijk tegen mij, terwijl ik hoorde dat hij haar, boven op haar kamer, commandeerde. Toen hij weg was, begon ik erover. Maar Denise werd boos: hij was juist geweldig. Ik wist dat aandringen een averechts effect zou hebben, dus liet ik het maar op z’n beloop.

Totdat ze op een gegeven moment tussen neus en lippen door vertelde dat hij een paar keer in aanraking was geweest met de politie, wegens diefstal. Ik werd ongerust, zei meteen dat ze moest stoppen met de relatie. Maar ze was te verliefd om te gehoorzamen.

Een paar maanden later vertelde ze dat een jongen uit haar klas gek op haar was. Hij vond zichzelf een veel betere partij voor haar dan Michael en dat liet hij haar nadrukkelijk merken. Zij vond het wel vermakelijk, maar toen Michael het hoorde, werd hij woest.

Ik raakte volledig in shock

Het weekend daarop ging ik naar een vriend buiten de stad. Hij had gevoetbald en we liepen net van het veld naar de kantine, toen mijn telefoon ging. Het bleek mijn beste vriendin te zijn, die me vertelde: “Je dochter is net door politieagenten meegenomen in een busje. Bel even de politie om te horen wat er aan de hand is.”

Maar wat er precies gebeurd was, hoorde ik pas in de rechtbank. Ik raakte volledig in shock toen ik het mijn dochter aan de rechter hoorde vertellen.

Michael had de jongen die achter zíjn vriendin aanzat een lesje willen leren. Hij had een gruwelijk plan bedacht, dat ze samen zouden uitvoeren.

Denise vroeg de jongen, via WhatsApp, naar haar toe te komen. Ze wachtte hem op bij een bushalte in ons dorp. Toen hij uitstapte, kwam Michael vanachter een geparkeerde auto tevoorschijn met een doek voor zijn mond en neus.

Hij greep de jongen met een nekklem vast, dreigde met een mes en eiste zijn portemonnee. Toen hij die gekregen had, stak hij de jongen nog eens keihard in z'n bovenbeen en rende vervolgens weg.

Toen de ambulance en de politie arri­veerden, loog Denise, zoals ze met haar vriendje had afgesproken, tegen de agenten dat ze de overvaller niet kende. 

Een halfjaar detentie

Een halfjaar detentie in een jeugdgevangenis legde de rechter mijn dochter op. De straf was zo hoog, omdat ze het krankzinnige plan samen hadden beraamd en uitgevoerd. Mijn dochter werd gezien als medepleger van straatroof met geweld.

Nog voel ik de woede die me overviel. Gericht op Michael. Hij had mijn wat naïeve, maar beschaafde meisje meegesleurd in de drek. Volledig van de kaart was ik.

Nadat ze gearresteerd was, heb ik twee weken niet geslapen, omdat ik vol adrenaline zat. Flarden van wat er gebeurd was, bleven maar door mijn hoofd schieten. Werken ging ook niet meer; ik moest me ziek melden.

Dit is een echte gevangenis

De eerste keer dat ik mijn dochter bezocht in de gevangenis herinner ik me nog goed. Na een treinreis van tweeënhalf uur liep ik over het bospad in de richting van de jeugdgevangenis.

In de verte zag ik een groot gebouw opdoemen. Het leek op een villa met een mooie tuin eromheen. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik de hoge hekken, overal beveiligd met schrikdraad. “Dit is een echte gevangenis,” schoot het door me heen, alsof het nu pas echt tot me doordrong. “En hier zit mijn kind nu.”

Binnen moet je eerst alles afgeven: sleutels, telefoon, riem. Dan ga je naar de wachtruimte, waar ook de andere mensen zitten die een gedetineerde komen bezoeken.

Ik ging zitten, keek rond en liet mijn oog even rusten op een vrouw met een korte broek en een vaal shirt. Onze ogen kruisten elkaar kort toen ze me boos toeschreeuwde: “Waarom kijk je naar me?” Ik schrok. Het was een totaal andere wereld waarin ik terecht ben gekomen. Een wereld waar je echt niet in wilt zitten.

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen

Tussen twee bewakers in liepen we naar de kantine. Daar zat Denise te wachten aan een tafeltje. “Wil je koffie mam?” vroeg ze, terwijl ze opstond om naar de koffie-­automaat te lopen. Ze zette twee plastic bekertjes op de tafel voor ons neer en kwam naast me zitten. Zwijgend zaten we even naast elkaar.

Toen zei ze: “Niet meteen kijken, maar dat meisje daar verderop links van je, heeft haar vader en haar broer vermoord.” Vanuit mijn ooghoeken zag ik een knap meisje met donkere krullen zitten. Ook zag ik een meisje met haar armen vol snijwonden. Het was behoorlijk schokkend, allemaal. 

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen: “Denise, waarom heb je dit gedaan? Waarom?” Ik vertelde dat haar oma ook enorm geschokt was. “Ik weet het niet mama, maar ik was bang. Bang voor wat Michael mij zou aandoen als ik niet meedeed.”

Na een uur zei een van de medewerkers met een zware, harde stem: “Het bezoekuur is afgelopen.” Denise stond op, omhelsde me en zei huilend: “Mam, ik hou onwijs veel van jou. En het spijt me wat ik gedaan heb.”

Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer

Ik weet dat ze het meent, maar de situatie heeft onze sociale positie in het dorp enorm aangetast. Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer. Ik kan met hen niet praten over de situatie, omdat ik me schaam.

Hun afkeurende houding, hoe ze naar me kijken als ik ze tegenkom, versterkt dat gevoel. Maar er zijn ook mensen die mij enorm steunen. Mijn moeder, mijn beste vriendin, mijn collega’s. Met hen is de band juist versterkt.

Dat is een voordeel, als je het zo mag noemen, van deze situatie: je merkt wel feilloos wie je echte vrienden zijn.’

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Anne (54) verloor haar dochter en zocht verdoving in de alcohol. Vier jaar verder lijkt het onmogelijk dat ze drank ooit nog opgeeft.

‘Twee weken geleden stond ik om half tien in de avondwinkel. Met een fles witte wijn in mijn handen. Ineens dook er een buurvrouw naast me op. “Feestje?” vroeg ze met een glimlach. Ik smoesde iets over onverwacht bezoek en dat ik niets in huis had.

In de auto kwamen de tranen

Voor de vorm greep ik nog naar een zak nootjes. Daarna draaide ik me gehaast om, bang dat ze aan mijn gezicht zou aflezen dat ik loog. Of dat ze zou ruiken dat ik al een aantal glazen wijn achter de kiezen had. 

Of ik haar een lift naar huis kon geven: ik hoorde heus nog wel dat ze dat riep. Maar ik hield me van de domme. Dat ik zelf de auto was ingestapt met drank op was al erg genoeg, al was het maar een paar straten rijden. Maar aangeschoten en wel een passagier meenemen? Geen denken aan.

In de auto kwamen de tranen; ik besefte weer eens goed hoe dom ik bezig was en ik schaamde me zo. Thuis bleek er maar een remedie: de fles opentrekken en een glas inschenken. En vervolgens doordrinken totdat ik de schaamte verdrongen had.

Totdat ik haast niets meer voelde en zonder gedachten in bed kon kruipen.

Tot vier jaar geleden was ik een matige drinker

In mijn studententijd ben ik weleens dronken geweest, maar toen ik trouwde, kwam dat allang niet meer voor. Toen ik kinderen kreeg, ben ik vanzelfsprekend lange periodes gestopt met alcohol en dat kostte me geen enkele moeite.

Mijn man was wel een behoorlijke innemer. In de eerste tien jaar dat we samen waren, stoorde me dat niet, toen werd hij nog gezellig van drank.

Later, toen het met ons huwelijk al bergafwaarts ging, begon hij een kwade dronk te krijgen. Dan begon hij te schreeuwen en te schelden en was hij niet meer voor rede vatbaar.

Ultimatum

Het liep zo uit de hand dat ik hem uiteindelijk een ultimatum stelde: als hij zou stoppen met drank, wilde ik nog wel relatietherapie proberen. Als hij het niet voor mij over had, was het maar beter dat hij vertrok. We zijn gescheiden.

Later hoorde ik dat hij een nieuwe vriendin had en voor haar wel bereid was, zich te laten behandelen. Dat deed pijn. Ik vond het pittig om er alleen voor te staan met mijn kinderen. Vooral mijn zoon baarde me grote zorgen. Hij is hoogbegaafd en had het op de middelbare school niet gemakkelijk.

Hechte band

Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn dochter, die al in de twintig was en met wie ik een hechte band had. Ondanks dat ze het huis al uit was, hadden we dagelijks contact en kwam ze vaak bij me langs.

Op een gegeven moment stonden we zelfs allebei op Tinder. We zaten samen te swipen, bekeken elkaars matches en vertelden elkaar over onze dates.

Op een zonnige zaterdag ging ze naar het strand met een jongen die ze via deze datingapp had ontmoet. Op de terugweg raakten ze betrokken bij een frontale botsing.

Ik bad onophoudelijk

Vier dagen lang heb ik aan het bed van mijn dochter gewaakt, dagen waarin ik amper sliep en waarin ik voor het eerst sinds mijn vroege jeugd weer bad, onophoudelijk.

Een week later stonden we bij haar graf. Mijn zoon en ik, mijn ex en zijn nieuwe gezin. Al onze familie en vrienden. En de vrienden van mijn dochter, jong en springlevend, zoals zij dat pas ook nog was geweest.

Ik leefde in een waas. Ik had voortdurend het gevoel dat ik straks weer wakker zou worden. Dan zou alles weer gewoon zijn. Dan zou mijn dochter nog leven. Dan zouden we weer lachen, praten, shoppen, swipen en koken.

Durfde niet te gaan slapen

Maar dat moment van wakker worden uit die afschuwelijke droom kwam niet. ’s Avonds durfde ik haast niet te gaan slapen. Elke ochtend, als de waarheid weer tot mij doordrong, deed dat zoveel pijn dat ik dacht dat ik het niet zou overleven.

Dat korte moment van onwetendheid, totdat de waarheid erin hakte, mijn hart stilstond alsof ik het nieuws voor het eerst hoorde: het was te erg. Maar hele nachten opblijven was ook geen optie. Het enige waardoor ik kon ontspannen, waren een paar glazen wijn.

Met elke slok nam het gespook in mijn hoofd af

Mijn gedachten werden trager, stroperig, tot ik, doodmoe, indutte. De kater de volgende dag vond ik ook niet erg; ook die verdoofde mijn hartzeer enigszins. 

Ik ben in die tijd bij mijn huisarts geweest. Die schreef me kalmeringspillen voor. Maar niet te veel, niet te vaak, waarschuwde hij. ‘Voordat je het weet, ben je verslaafd. Dat moeten we niet hebben.’ Ik vind het een misser dat hij niet beter naar mij keek.

De drang om mezelf te verdoven, was zo groot dat ik dat ook zonder zijn hulp wel voor elkaar kreeg. Zo werd alcohol mijn beste vriend. Dat was immers overal voorhanden, elke supermarkt staat er vol mee.

Naïef

Ik lette wel op dat mijn zoon er niets van meekreeg. Ik wilde niet dat hij zich zorgen om mij zou maken. En dat was ook nergens voor nodig, dacht ik.

Ik had dit nu nodig om de eerste tijd door te komen. Maar ik was geen alcoholist, dat had ik mijn leven lang al bewezen, als matige drinker. Dan zou ik heus niet zomaar verslaafd raken, daar moet je toch een genetische aanleg voor hebben? 

Wat een naïeve gedachte. Als je maar stug doordrinkt, komt het zo in je systeem; wordt het zo’n gewoonte, dat je niet meer zonder kunt. Inmiddels is het vier jaar geleden dat mijn dochter overleed en hoewel ik haar nog dagelijks mis, zijn er momenten dat ik weer kan lachen.

Ik weet dat niet alles verloren is. Mijn met zoon gaat het heel goed. Hij heeft een eigen bedrijf opgestart waarmee hij succesvol is. Ik heb een fijne baan, lieve vriendinnen en door wat er met onze dochter is gebeurd, zijn mijn ex en ik weer naar elkaar toegegroeid.

Niet als partners, wel als vrienden. Ik kan alles met hem delen. Bijna alles.

Ik drink nog steeds veel te veel

Want wat niemand, ook hij en mijn zoon niet, weet, is dat ik nog altijd veel drink. Te veel, veel te veel. Het lukt me om dat voor iedereen te verbergen, omdat ik alleen drink als ik thuis ben. In mijn eentje.

In gezelschap neem ik nooit meer dan één drankje, dan kan ik me heel goed inhouden. Ik taal er ook niet naar. Op die momenten ben ik graag helder, zodat ik weet wat ik doe en wat ik zeg. Maar zodra ik alleen ben, ’s avonds, dan lonkt de wijn.

Als ik thuiskom, gaat meestal binnen tien minuten de eerste fles open. Ik probeer het daar bij te houden, maar het gebeurt regelmatig dat ik er nog eentje ontkurk. Want pas dan komt de verdoving, die ik zo prettig ben gaan vinden.

Dan komt de roes waarin ik mij kan onderdompelen. Die mij ontspant en tot mezelf brengt. Daarom zorg ik ervoor dat ik tenminste drie of vier avonden thuis ben. Zodat ik me in mijn eigen wereld kan terugtrekken. Ik zorg er wel voor dat ik op tijd mijn bed opzoek. Ik wil niet dat mijn baan eronder lijdt.

Ik zag het als iets dat ik verdiende

Of mijn drankgebruik daadwerkelijk geen negatieve invloed heeft, betwijfel ik: in de ochtend voel ik me zelden fit, terwijl ik vroeger toch een ochtendmens was. Maar in de loop van de dag ga ik me altijd beter voelen en daardoor verdwijnen telkens weer de voornemens om het niet meer zo bont te maken.

Lang heb ik de ernst er ook niet van ingezien. Ik zag het als troost, als iets wat ik verdiende. 

Hoe erg het was, ontdekte ik pas toen ik vorig jaar weer een relatie kreeg. De eerste tijd dronk ik minder, daarna kwam de trek terug. Wanneer hij het hele weekend bij me was, stuurde ik hem op zondagavond vaak naar huis. Om een fles wijn open te kunnen trekken.

Ik ben fout bezig, zelfdestructief

Ik was continu bezig met verbergen dat ik dronk. Ik forceerde weleens een ruzie om alleen te zijn. Uiteindelijk heb ik het uitgemaakt. Dat was simpeler dan steeds maar liegen. Toen besefte ik wel: ik ben fout bezig. Zelfdestructief, ook dat.

Als ik in de auto stap naar de avondwinkel, weet ik ook heel goed hoe verkeerd het is. Ik heb me na die pijnlijke ontmoeting met de buurvrouw voorgenomen om dat nooit meer te doen; dan pak ik de fiets maar.

Veel beter zou ik natuurlijk kunnen besluiten om op te houden met deze verschrikkelijke gewoonte.

Ik heb zelfs iemand in de buurt die mij heel goed zou kunnen helpen: mijn ex. Maar vooralsnog is de schaamte te groot om open kaart met hem te spelen.’