Mijn mooiste vakantieherinnering bestaan niet uit hele anekdotes, uit bloemrijke beschrijvingen of verslagen van A tot Z. Het zijn flarden van gebeurtenissen, flitsen van vergezichten, de sfeer van een dialoog, niet de woorden zelf.

In deze zeef die geheugen heet, staan een aantal gebeurtenissen me nog wél scherp voor de geest. Het zijn de rampen, debacles en zeperds die ik meemaakte in het buitenland. Zoals dat ik met mijn nieuw aangeschafte autootje bijna het ravijn inreed. Mijn vriendin Marieke gilde: “Stop, we vallen!”
Ik trok aan de handrem en zei: “Je moet niet zo hysterisch doen, je maakt me aan het schrikken.”
“Jij maakt mij pas bang!”, zei ze nog steeds overstuur.
“Het valt best mee, stap eens uit.”
“Dat kan ik niet! Of wil je dat ik in het ravijn kukel?” Toen we via mijn kant waren uitgestapt zag ik dat ze gelijk had. Het rechterachterwiel hing al over de rand. Ook al was ik geslaagd voor 
de hellingproef, deze uitdaging durfde ik niet aan. Na lang wachten kwam er eindelijk een boertje op een bromfiets voorbij. In ons beste Spaans smeekten we hem om hulp. Hij trok ons mee op het pad en wees naar beneden waar we drie(!) auto’s 
telden. Zij hadden het niet gered. Met zijn drieën hebben we toen de auto van achteren opgetild en weer op het pad gezet. Het leerde me hoe sterk je bent als de nood aan de man is.
Ik herinner me ook de keer dat we aan het strand lagen in 
Zuid-Frankrijk en er ineens hordes vliegtuigjes heel laag over kwamen vliegen, om water uit de zee te scheppen. We keken achter ons en zagen enorme rookpluimen. Er was brand ontstaan precies in het gebied waar onze camping lag. Haastig pakten we onze spullen om terug te rijden, omdat de au pair met de 
baby van onze vrienden op de camping was achtergebleven. Halverwege strandden we. Het hele gebied was afgezet en de camping zou zijn ontruimd. We werden opgevangen in grote hangars met rijen britsen, waar we de nacht door moesten 
brengen. Victor, mijn toenmalige man, is door de barricade het hele eind naar de camping gerend en belde ons na twee uur dat de baby en de au pair veilig waren.
Zo zijn er nog tientallen gebeurtenissen die me haarscherp voor de geest staan. Dat we op Bali zaten en ons hele huis blank stond, na dagen en nachten aanhoudende regen, en de stroom uit was gevallen. En de vakantie waarin we op de laatste dag onze camera verloren met alle vakantiefoto’s. Het afschuwelijke moment dat mijn kleinste meisje zo hard op haar hoofd viel, dat het bloed er uitstroomde alsof we de kraan hadden opengezet. Of de keer dat ik mijn kniebanden scheurde met skiën en een gipsvlucht terug moest nemen. Op weer een andere reis knapte mijn kuitspier terwijl ik nog twee weken voor de boeg had met vier kinderen. De allerergste ervaring deed ik op tijdens mijn huwelijksreis naar Sri Lanka. De dag na onze aankomst rolde de tsunami over het land.
Waarom onthouden we de slechte momenten wel en vervagen de goede langzaam in ons hoofd? Wellicht uit zelfbescherming, je wilt tenslotte niet dat het je nog een keer overkomt. Met fijne vakantiemomenten gaat het misschien net als met geluk in het algemeen: Het is vervlogen voor je er erg in hebt. Ik zal dit moment dan ook wel weer snel vergeten zijn, terwijl ik hier zit te tikken en uitkijk over de Middellandse Zee. Ik doe mijn laptop weer dicht, om NU te genieten.

Klik hier voor meer columns van Elle van Rijn

Elle van Rijn studeerde aan de Toneelschool Maastricht. Tegenwoordig is de actrice, die debuteerde met het boek 
De tragische geschiedenis van mijn succes vooral schrijfster. Met haar vriend en haar vier kinderen woont zij in Het Gooi. 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.