Vanaf deze maand in Nouveau: De Leesclub!
We lezen spannende thrillers, meeslepende romans en andere aanraders. En vragen vervolgens de schrijvers naar hun motieven.

Marion Bloem

Marion Bloem (Arnhem, 1952) studeerde af als psycholoog, maar werd bij het grote publiek bekend met haar debuutroman Geen gewoon Indisch meisje (1983). Hoofdthema van het boek, net als van veel van het werk dat erop volgde, is het leven van immigranten uit voormalig Nederlands-Indië. In 1993 ontving zij de E. du Perronprijs voor haar hele oeuvre. Bij haar veertigjarige jubileum als auteur verscheen in 2012 de grote familieroman Een meisje van honderd.

Marion Bloem schreef ook kinderboeken en non-fictie, maakte verschillende films en televisieprogramma’s en is beeldend kunstenaar. Zij heeft een zoon, filmproducent Kaja Wolffers, en twee kleindochters met arts en schrijver Ivan Wolffers. Het paar woont al samen sinds 1971.
In Haar goede hand schetst Marion Bloem een portret van - de band met - haar kleurrijke moeder en haar bewogen verleden. Toch is het geen biografie. Over de keuze voor deze vorm zegt Marion Bloem: “Ik heb een prachtige, unieke theepot in een veel te kleine doos willen stoppen. Dat lukte niet, dus heb ik hem stukgeslagen en uit de dertig scherven heb ik er zeven gekozen die het bijzondere van de theepot vertegenwoordigen. Die heb ik aan elkaar geplakt.” www.marionbloem.nl

Bloem
Bloem

HAAR GOEDE HAND - Centraal staat Melanie Krijger, een vrouw van in de tachtig, van Indische afkomst. De verteller is haar dochter, Sonia. Melanie wordt geplaagd door vergeetachtigheid.

Melanie Krijger staat model voor je eigen moeder. Waarom wilde je een boek over haar schrijven, juist nu?
“Onder andere omdat ik merkte dat mijn moeder steeds meer vergeet van het verleden, en haar herinneringen soms vervlakken, terwijl andere herinneringen juist levendiger worden.”

Waarom een boek waarin werkelijkheid en fictie door elkaar heen lopen en geen biografie?
“Voor een biografie zou ik een boek van ruim duizend pagina’s moeten schrijven en dat wilde ik niet. Bovendien, mijn herinnering is natuurlijk subjectief. En ik wil mezelf geen biograaf noemen.”

Je hebt de werkelijkheid in elk geval niet poëtischer gemaakt: van moeder Melanie krijgen we ook minder aangename kanten te zien.
“Je kunt geen oprecht boek schrijven zonder iemands onsympathieke kanten zichtbaar te maken, want er bestaat geen volmaakt mens. En mijn taak als schrijver is oprecht te zijn.”

Het karakter van je moeder krijgt meer diepte doordat we haar geschiedenis leren kennen. Wat heeft haar gevormd?
“Allereerst de kinderverlamming als peuter en het sociale isolement dat daarmee gepaard ging. De oorlogstijd met de kampjaren, waarin ze als twaalfjarige ineens volwassen moest zijn. Dan de revolutietijd, een uiterst gevaarlijke periode waarin zij als zestienjarige verantwoordelijk werd voor het hele gezin. En vanuit die angst is ze gevlucht naar een land waar ze dacht thuis te komen, terwijl ze er juist grote aanpassingsproblemen kreeg.”

Wat kun je ons vertellen over de titel Haar goede hand?
“De linkerhand, haar gezonde hand, werd als onrein beschouwd: daarmee waste je je billen. De goede hand was je rechterhand, maar de hare was verlamd.”

Denk je dat veel kinderen van Nederlands-Indische ouders ‘in de schaduw van het jappenkamp’ zijn opgegroeid, ook al zijn ze zelf nooit geïnterneerd geweest?
“Dat weet ik zeker. Onverwerkte trauma’s worden doorgegeven. Je ouders zijn in het kamp gevormd, op een moment dat ze zouden moeten puberen, van hun vrijheid proeven. Dat heeft mijn moeder overgeslagen en dat levert frustraties op. Waar die vandaan kwamen, was ook deze generatie zelf niet duidelijk.”

Melanie stort zich met overgave op haar Hollandse omgeving. Ze is gul, gastvrij, wordt actief in haar parochie. Maar er komt weinig hartelijkheid terug.
“De ontvangst was vaak kil, een ongemakkelijke confrontatie tussen twee culturen. Wat ik vaak om me heen hoor: ‘O, die Indische mensen die wíj kenden waren zo lief, nooit problemen mee gehad.’ Maar intussen beseften ze niet dat ze met een culturele botsing te maken hadden.”

Jij besefte het wel, als kind. Schaamde je je voor die situaties?
“Ik probeerde het van beide kanten te vergoelijken. Die mensen wisten ook niet hoe je geacht wordt te reageren op al die hartelijkheid. En ik had, op mijn beurt, bijvoorbeeld niet door dat ik op Sinterklaasavond bij mijn eerste vriendje cadeautjes mee had moeten nemen. Het waren toch, al wordt vaak anders beweerd, aparte werelden.”

Is het boek, behalve een portret, ook een manier om met gemengde gevoelens jegens je moeder in het reine te komen?
“Haar strenge hand had ik haar op m’n twintigste eigenlijk al vergeven. Maar door de ouderdom gaat zij het ook vergéten en het gekke is, dat die pijn dan terugkomt. Kennelijk is alles toch niet echt vergeven en vergeten.”

Je schrijft aan het einde dat je je moeder ook heel dankbaar bent…
“Ze offerde zichzelf op voor onze toekomst, vocht als een leeuwin voor ons en ze gaf ons haar gevoel voor rechtvaardigheid mee. Als voorbeeld, gewoon door wie ze was, droeg ze aan ons haar idealen over om een betere wereld te creëren. Dat vind ik heel bijzonder en dat weegt, van alles, ook het zwaarst.”

Haar goede hand is een uitgave van de Arbeiderspers, www.singeluitgeverijen.nl