Prinses Juliana groeide op als enig kind in de bubbel van het hof. Haar moeder koningin Wilhelmina was vaak aan het werk, haar vader prins Hendrik was veel afwezig om te flierefluiten. Juliana werd vooral omringd door volwassenen en had bitter weinig contact met leeftijdgenoten. Haar lagere school bestond uit vier jaar in een speciaal samengesteld klasje in het paleis. Haar klasgenoten waren drie zorgvuldig geselecteerde freules, te weten: Miek de Jonge, Elise Bentinck en Elisabeth van Hardenbroek. Vanaf 1919 kreeg ze privé onderwijs van pedagoog Gunning. Naast de normale lesstof kreeg ‘Jula’ les in schilderen, viool en zang en extra vakken als Indische land en volkenkunde, die voorzagen in belangrijke kennis voor haar latere rol als staatshoofd.
Cissy van Marxveldt
Het is moeilijk voor te stellen hoe het voor een nieuwsgierige puber en adolescent moet zijn geweest om zo beperkt te worden in haar doen en laten. Moeder Wilhelmina was niet van het overlegmodel. Ze was streng en verzamelde gehoorzame mensen om zich heen, waardoor moeder en dochter vrij geïsoleerd door het leven gingen. Juliana wist niet beter, dus het is moeilijk in te schatten of ze echt eenzaam was. Maar ze zal, zoals elke puber, ongeduriger zijn geworden in haar relatie met haar ouders en hebben gesnakt naar contact met leeftijdsgenoten. Juliana is van de generatie die smulde van de meisjesboeken van Cissy van Marxveldt, zoals Zomerzotheid en Joop ter Heul. Verhalen over meisjes met een eigen gedachtewereld en eigen plannen en dromen, die heel veel steun, troost en plezier vonden bij hun vriendinnen.
‘Studierte Mädel’
Lizet Kruyff: ‘Voorloper van dit genre is de Duitse auteur Else Ury, met onder meer haar bestseller Studierte Mädel uit 1906. Veel uit dit verhaal klinkt als een draaiboek voor het verloop van Juliana’s school- en later studentenleven. De nauwe band tussen moeder en dochter, de omgang met onderwijzers, het vriendinnenclubje, het zingen en dichten, de uitstapjes in de natuur, de ernst des levens waarover veel gesproken wordt. Het is heel herkenbaar. Zelfs het woord bakvis in de betekenis van jonge nog niet volwassen vrouw, ergens tussen servet en tafellaken, tussen de dertien en zeventien, komt uit het Duits: Backfisch.’
Het zijn verhalen over dochters uit gegoede families waarin Juliana zich herkent. Ze gaat nu eenmaal niet om met de dochters van boeren, bakkers en onderwijzers. Maar krijgt wel mee wat er bij die leeftijdgenoten speelt. De roklengtes gingen omhoog, feministen vochten voor vrouwenkiesrecht (en kregen dat in 1919), jonge vrouwen lieten hun haar kort knippen en dansten de charleston terwijl voor Juliana het kersverse fenomeen radio al als wuft werd gezien. Voor haar bleef het leven formeel, zoals haar moeder het wilde.
Naar Leiden
Tot Juliana op 30 april 1927 achttien jaar werd en eventueel de troon kon overnemen. Ze kreeg een eigen werkpaleis aan de Kneuterdijk in Den Haag, een eigen hofhouding, jurken zoals welgestelde leeftijdgenoten die droegen en... een beetje meer vrijheid toen ze ging studeren. Het werd een verkorte studie aan de Rijksuniversiteit van Leiden, die helemaal was gericht op haar toekomst als staatshoofd. Ze was daarmee de eerste Van Oranje die aan een universiteit ging studeren. Haar aanwezigheid was er een van ‘op voet van onderlinge gelijkheid’. Om die reden liet ze zich – en dat was zowaar ook de wens van haar ouders – door haar medestudenten tutoyeren en aanspreken met Jula.
Twee Cadillacs
Op kamers in Leiden mocht de prinses niet; er moest wat voorname afstand blijven. ‘Wel worden er in Katwijk twee villa’s gehuurd die als studentenverblijf moeten dienen,’ zegt Kruyff. ‘Villa ’t Waerle in Katwijk verandert in een ‘studentenhuis’ binnen de door Wilhelmina en het protocol toegestane vrijheidsgraden.’ Verbazingwekkend voor iemand die zo graag ‘gewoon’ wilde zijn als Juliana is dat ze nooit haar rijbewijs haalde. Wel schafte ze twee Cadillacs aan, zodat haar chauffeur haar en haar entourage kon rondrijden. Het gevolg bestond uit drie zorgvuldig geselecteerde vriendinnen: Clara de Brauw (Medicijnen), Marguerite Michelin (Franse en Nederlandse Taalkunde) en Mies Rooseboom (Biologie).
De Zeesterren
‘Het gezelschap tooit zich met de naam De Zeesterren,’ vertelt Kruyff. ‘Vier jonge vrouwen in een villa aan het strand. Het klinkt zo romantisch. Het pand wordt opgeknapt. Meubeltjes komen van huis mee, zoals dat bij veel studenten het geval is. De firma Kusters verhuist kasten en bureaus, de hele mikmak die onmisbaar is. Andere vriendinnen wonen in een studentenhuis, of bij een hospita in huis aan de grachten, singels, of de straten in het centrum van Leiden, een enkeling blijft thuis wonen en wordt ‘spoorstudent’. Juliana zit opgeborgen in haar villa op veilige afstand, met personeel en een waakhond naast de deur in de vorm van het toeziend oog van haar particulier secretaris baron mr. Jean Chrétien Baud en zijn gezin, die de naastgelegen villa Hoogcate betrekken. Als ‘hospita’ treden twee hofdames op, de wat oudere mevrouw Schoch en de jongere Jacoba Catharina baronesse van Sytzama.’
Haar aanwezigheid op de universiteit was er een van ‘op voet van onderlinge gelijkheid’; ze liet zich tutoyeren en AANSPREKEN MET 'JULA'
Ontgroening bij de VVSL
In september 1927 werd de prinses lid van de Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Leiden (VVSL), een perfect excuus om zich wat meer te ontworstelen aan al het toezicht. Ze wordt er ontgroend, maar dat was niet al te vernederend: de novieten moesten op de grond zitten en ze deed gewoon mee. Haar jaarclub met veertien andere studentes heette de Zestigpoot, naar de vijftien leden en hun vier ledematen. Om in Cissy van Marxveldt-taal te blijven: Juliana had het dol bij de Zestigpoot en deed gretig mee aan alles, van partijtjes tennis tot feestavonden. Hoewel ze zo bleef omgaan met ‘ons soort mensen’ werd haar bubbel in Leiden toch wat groter en gevarieerder. Na een jeugd tussen oude mensen in een paleis ging er een wereld aan gezelligheid en saamhorigheid voor haar open en dat clubverband heeft ze haar hele volwassen leven in ere gehouden.
‘Raak en geestig’
Een citaat dat het studentenleven van Juliana en haar persoon goed weergeeft: ‘Het was niet moeilijk om jezelf te zijn, tegenspraak werd gewaardeerd en de prinses aanvaardde moeiteloos redelijke argumenten, indien haar eigen mening – die zij zeer wel had – haar tenslotte minder juist voorkwam. Het debat met haar kon vurig zijn, de gesprekken zwaar, maar als de prinses aanwezig was, waren er altijd dwaze, en geestige en rake opmerkingen. Want zij had zin voor humor en tegelijkertijd was haar oordeel vaak van een gezonde en verfrissende helderheid.’
Creativiteit alom
Een van haar jaarclubgenoten was Kiekie Leenmans, die later bekend zou worden als de dichteres Vasalis. Samen herschreven ze het sprookje over Blauwbaard tot een nieuw toneelstuk. Zo’n 130 studenten schreven als eerstejaars een jaarlied en dienden dat anoniem in. De inzending van Juliana, onder het pseudoniem Nofrititi, werd als beste gekozen. Het lied werd gezongen op de wijs van het kroningslied uit 1898, het jaar waarin haar moeder ingehuldigd werd als koningin. Aanwijzing genoeg wie de schrijfster was. Maar voor Jula moet het heerlijk zijn geweest om met leeftijdgenoten te kunnen gillen van het lachen en dit soort dingen te doen: ze was dol op toneel en dol op haar vriendinnen.
Lekker hoedjes passen
Een van de leukste anekdotes uit die tijd is dat Juliana soms succesvol wist te ontsnappen aan al het toezicht. ‘Er rijdt ook een trammetje van Katwijk naar Leiden, maar dat mag ze niet van haar moeder,’ aldus Kruyff. ‘Natuurlijk heeft Juliana weleens een poging ondernomen te ontkomen aan de auto met chauffeur en zich juist wél op de tram te slingeren. Via de tuin van de studentenvereniging aan het Rapenburg 65, aan de achterkant ligt de Doelengracht. Zo kun je vrij eenvoudig onopgemerkt het ruime sop kiezen. Zeker wanneer je de jas van een vriendin leent. Het verhaal wil dat ze met zo’n kleine metamorfose gezellig met vriendinnen hoedjes gaat passen in Den Haag, een beetje winkelen, zichzelf trakteren op thee met taart bij Maison Krul aan het Noordeinde. Onopvallend onder de ruime cloche en allen met het dan aangeleerde VVSL-accent, ‘gewoon’ deel van het clubje.’
‘Als de prinses aanwezig was, waren er altijd dwaze, en GEESTIGE EN RAKE OPMERKINGEN’
Fuifjes in ’t Waerle
In ’t Waerle organiseert de prinses vaak fuifjes en avonden. Ze kan mooi voordragen. Haar moeder laat een piano bezorgen die dankbaar in gebruik wordt genomen. Ze houdt van discussiëren – of ‘bomen’, zoals ze het zelf noemt. ‘Te midden van de haar vertrouwde en steeds groeiende vriendinnenschaar voelt zij zich op haar gemak, krijgt ze meer zelfvertrouwen, past ze haar kleding aan, en krijgt ze de kans haar eigenzinnigheid op een acceptabele manier vorm te geven,’ zegt Kruyff. ‘Een beetje rebellie ten opzichte van het (ouderlijk) gezag hoort immers bij het studentenleven. Rond verjaardagen en in de vakanties vliegen brieven en kaarten over en weer. ‘Een beetje op de hoogte blijven van elkaars bevindingen,’ schrijft Juliana aan haar vriendin Nelke. Dat blijft belangrijk, haar hele verdere leven zal ze teren op die vriendschappen uit haar studententijd, waar ze ‘ijselijk van geniet’.
Tussen twee werelden
Die studententijd was overigens ook weer niet zó gewoon. Af en toe moest Juliana terug naar Den Haag voor koninklijke verplichtingen als galadiners. En wat ze tijdens haar studie leert, wordt niet getoetst. De clubvrienden zitten bovendien niet altijd te wachten op de thé dansants, sauterietjes (informele danspartijtjes) of bal blancs waarvoor ze worden uitgenodigd door de prinses. Voor hen geen society en hofleven, maar college en practica volgen en tentamens afleggen, met een studentenbaantje en afstuderen in het verschiet. Juliana’s tijd in Leiden is daarnaast kort. Officieel slechts twee jaar, maar ze weet het een beetje te verlengen om het lustrum van de VVSL mee te kunnen maken. Dan is ze echter 21 jaar en moet ze aan de slag als kroonprinses: werkbezoeken, vergaderingen van de Raad van State en op zoek naar een partner om ook zelf weer voor een opvolger te kunnen zorgen. Terugkijkend heeft ze niet altijd een leuk leven gehad, maar die jaren in Katwijk en Leiden kon gelukkig niemand haar nog afnemen.