In deze aflevering van onze serie Wat ik altijd nog aan mijn ouders had willen vragen: bioloog Midas Dekkers (79). Van 1980 tot 2007 verzorgde hij een gesproken column in het radioprogramma Vroege Vogels. Verder schreef hij meer dan vijftig boeken (fictie en non-fictie) voor kinderen en volwassenen. Het meest recente: Het menselijk tekort, over de charme van onvolmaaktheid. Hij woont met zijn vriendin, kunstenares Ruth Thiadens, afwisselend in Weesp en Heino.
Nee, hij heeft niets meer te vragen aan zijn ouders. Niet omdat hij alles over hen al weet, maar omdat hij ervan overtuigd is dat je zelden eerlijke antwoorden van mensen krijgt. Als bioloog zegt hij: ‘Als je wilt weten wat mensen écht beweegt, moet je kijken naar hun daden. Het stellen van vragen is een foute weg, de waarheid krijg je alleen door te kijken naar wat mensen doen. Ik weet heel weinig van de geschiedenis van mijn ouders en daar heb ik vrede mee. In mijn katholieke jeugd stelde je geen vragen aan je ouders. Trouwens: wat willen mensen bereiken met zulke vragen? Toch vooral meer inzicht krijgen in zichzelf? Maar het gedrag van ouders verklaart het gedrag of het leven van hun kinderen nauwelijks. Het is een misvatting om te denken dat je om een kind te leren kennen als eerste naar de ouders moet kijken. Tegen die foute gedachte kan niet sterk genoeg gewaarschuwd worden. Mocht ik op mijn ouders lijken, wat overigens heel goed kan, dan komt dat in de eerste plaats door de erfelijkheid en de genen, niet door de opvoeding. Ik besta voor de helft uit de genen van mijn vader en voor de andere helft uit die van mijn moeder en zij bestonden op hun beurt uit een samensmelting van de genen van hun ouders en zo gaat dat allemaal honderden, zo niet duizenden jaren terug. Ik geloof in nature, niet in nurture. Ouders overschatten hun rol in de karaktervorming van hun kinderen zwaar. Ik ben het helemaal eens met de Amerikaanse psycholoog Judith Harris, die schrijft dat de belangrijkste mensen in de opvoeding van kinderen hun peers zijn, hun leeftijdgenootjes, vriendjes en klasgenoten. Kinderen streven er altijd naar een goed kind te worden, geen goede volwassene.’
Losse handjes
Wat hij wél weet van zijn vader Ko Dekkers is dat hij een onaangenaam mens was. ‘Dat vond mijn moeder tenminste en dus vonden wij dat ook. Hij had losse handjes en sloeg ons. Mijn oudere broer en zus hadden daar meer last van dan ik. Mijn vader had een café in Haarlem, dat hij De Monty Taveerne had genoemd. Hij was nogal militaristisch en een bewonderaar van veldmaarschalk Montgomery. Vandaar. Mijn ouders zijn tot tweemaal toe met elkaar getrouwd en gescheiden. Toen ze voor een derde keer wilden trouwen, mocht dat niet meer. Uiteindelijk zijn ze toch blijvend uit elkaar gegaan, ik was toen zes jaar. Mijn moeder hertrouwde met een man, genaamd Piet, een van de beste klanten van café Monty. Met hem is ze weer een café begonnen op de Munt in Amsterdam. Een schat van een man, een goeie sul. Mijn moeder zei over hem: ‘Hij is een goede man, want hij slaat niet.’ Wij noemden hem oom Piet, zoals wij de obers in het café ook allemaal oom noemden. Mijn biologische vader zag ik na de scheiding regelmatig, want dat was zo bepaald door de rechter. Bovendien kregen we dan altijd zakgeld. Later is dat contact nogal verwaterd en zagen we elkaar niet meer, totdat ik op zekere dag een telefoontje van hem kreeg. ‘Wat is je huisnummer?’, was de vraag. ‘Waarom heeft u dat nodig?’ vroeg ik. ‘Voor m’n testament’, zei hij. Een treuriger manier om weer contact te leggen, heb ik zelden gehoord. Een paar weken na dat telefoontje overleed hij. Uiteindelijk overleden aan de drank, net zoals mijn stiefvader.’
'Mijn moeder vond mijn vader een onaangenaam mens, dus vonden wij dat ook’
Eigen schuld
‘Ik was een van zes kinderen. Vier waren van mijn vader, twee van mijn stiefvader. Zowel bij haar eerste als haar tweede man kreeg m’n moeder een zwaar gehandicapt kind, dat was heel erg sneu. Op een halfbroer en mijzelf na zijn alle kinderen overleden. Mijn moeder is heel oud geworden, 94 of 96. Ze is veertien jaar geleden overleden. Aan het eind van haar leven woonde ze in Vinkeveen. Ik ging daar weleens met haar wandelen, zij in de rolstoel, ik erachter. Een groot nadeel van dat soort wandelingen is dat je elkaar nooit aankijkt, mijn moeder zat altijd met de rug naar me toe. Zo kun je dus geen gesprek voeren. Ze was lichamelijk niet veel meer waard, maar wel glashelder. Als ik de stoepdrempels te hard nam, riep ze ‘Godverdomme, kun je niet uitkijken, jongen’ en daar moesten we dan allebei hard om lachen. Zo werd zo’n ritje toch nog wel leuk. Ik zei al dat ik nooit vragen aan m’n ouders gesteld heb. Laten we zeggen dat zij niet erg in mij geïnteresseerd waren en ik niet in hen. We leefden prettig langs elkaar heen, eigenlijk al van jongs af aan. Als mensen mij vragen ‘Had je een gelukkige jeugd?’, dan zeg ik volmondig ja. Er werd mij heel veel zelfstandigheid gegund. Ik was geschikt voor de jeugd die ik heb gehad en je houdt niet overal trauma’s aan over, zeg ik altijd maar. Het feit dat mijn ouders toevallig mijn ouders waren, maakt mij niet veel nieuwsgieriger naar hen dan naar willekeurige anderen die mijn levenspad hebben gekruist. Een van de aardige dingen van ouder worden is, dat je beseft dat alles wat je overkomt toch voornamelijk je eigen schuld is.’