In deze aflevering van onze serie Wat ik altijd nog aan mijn ouders had willen vragen: Mart Visser (57), die in 1993 als mode-ontwerper debuteerde met een hautecouturecollectie, die hij tot 2019 jaarlijks zou maken. Tegenwoordig heeft hij een online modeshop, maar is hij vooral kunstenaar. In museum Beelden aan Zee in Scheveningen waren zijn sculpturen, reliëfs en schilderijen in 2022 in een grote overzichtstentoonstelling te zien. In 2023 was er de documentaire Mart Visser. Hij is getrouwd met ex-bedrijfsadviseur en fondsenwerver Job van Dooren.
Depressieve partner
‘M’n hele leven heb ik m’n moeder elke dag vragen gesteld. Ik belde haar een paar keer per dag, ze was echt mijn vraagbaak, voor alle problemen die ik tegenkwam in m’n werk en m’n persoonlijke leven. Het ging eigenlijk zelden over haar en haar leven, moet ik bekennen. Ze is al vijftien jaar dood, maar ik denk nog steeds: kon ik haar nog maar even bellen. Vooral het afgelopen jaar, dat nogal heftig was. Zowel in zakelijk als persoonlijk opzicht had ik haar luisterend oor en goede raad heel goed kunnen gebruiken. Mijn man is namelijk al een paar jaar depressief en dat is voor hem en voor mij moeilijk. Hoe ga je om met een depressieve partner? Wat zeg je wel en wat niet? Hij heeft gelukkig een goede therapeute en inmiddels heb ik ook wel wat bijgeleerd. Ik heb er heel lang over gedaan om te begrijpen wat een depressie is, vooral omdat die ziekte zo diametraal staat tegenover hoe ik zelf ben. Daarbij heb ik vooral veel steun gehad aan online lotgenotengroepen. Daar las ik hoe anderen met hun depressieve partner omgaan. Mijn man woont nu voornamelijk in ons huis op de Veluwe, want Amsterdam is veel te druk voor hem. Al die prikkels, die daar op hem af komen, maken hem in de war. Gelukkig gaat het de laatste tijd beter met hem. Mijn moeder had me hiermee vast goed kunnen helpen, want zij groeide op met een depressieve moeder, die zelfs jaren in een instelling heeft gezeten.
Jonge huppel in de mode
Pas nu besef ik dat alle vragen aan mijn moeder altijd over mij gingen. Heel egocentrisch, maar ach, ik was een jonge huppel in de mode, ik ontdekte zoveel, maakte zoveel mee en dat moest ik, als moederskind, allemaal met haar bespreken. Terwijl zij, als Tweede Kamerlid, toch zeker ook een interessant leven had met de nodige problemen, want eigenlijk was ze niet hard genoeg voor het politieke leven. Wat zou zij het trouwens vreselijk gevonden hebben hoe het er tegenwoordig aan toegaat in Den Haag. Daarover zou ik haar nu nog graag wat vragen willen stellen en ook over alle andere functies die ze heeft bekleed, zoals voorzitter van de Bond van Plattelandsvrouwen en voorzitter van de stichting Max Havelaar. Als haar leven al eens ter sprake kwam in onze dagelijkse telefoontjes was dat nogal terloops. Ze had dan bijvoorbeeld koningin Beatrix ergens ontmoet. In plaats van dat ik vroeg hoe dat was en waarover ze gesproken hadden, vroeg ik alleen maar: ‘En, wat had ze aan?’ Wat ik wél altijd goed gedaan heb, is mooie kleren voor haar maken. Vooral als ze weer eens iets officieels had, zoals die keer dat ze een koninklijke onderscheiding kreeg. Ze was altijd bij mijn modeshows. Op haar rouwkaart stond een foto van haar in een mooie, blauwe jas van mij. Die foto staat nu op verschillende plaatsen in mijn huis. Mijn vader leeft gelukkig nog. Hij is 85, woont op zichzelf en kan zich nog heel goed redden. Onze band is na mijn moeders dood veel hechter geworden. We hebben goede gesprekken over hun huwelijk en over zijn mislukte tweede huwelijk. Daardoor zijn wij veel dichter naar elkaar toegegroeid. In zijn huis staan nu overal foto’s van mijn moeder, die is hij gaan neerzetten na de scheiding van zijn tweede vrouw. Daardoor merk ik pas echt hoe goed hun huwelijk was. ‘Ik bewaak nu het fort’, zegt hij en daarin is overal plaats voor mijn moeder.
'Zij was een optimistische vrouw met als levensmotto: ‘Tel elke dag je zegeningen.'
Opbeurend
Zij was een optimistische vrouw met als levensmotto: ‘Tel elke dag je zegeningen’. Dat staat ook op haar grafsteen. Zelfs tijdens haar ziekte, die kort maar zeer hevig was, deed ze dat nog. Die zegeningen werden steeds eenvoudiger, zoals: ‘Je vader draaide vandaag een mooi stuk muziek’ of ‘Er zat vanochtend een merel op het balkon en de tuin staat weer prachtig in bloei’. In mei kreeg ze de diagnose alvleesklierkanker en in juli overleed ze. Het was hoogzomer en als het even kon, zat ze in de tuin. Aan het eind van haar leven wilde ze niemand meer zien, alleen nog maar familie. Mijn vader zat in die tijd in een vechthouding. Na haar dood was hij heel boos. Hij wilde afscheid-met-een-open-kist. ‘Laat de mensen maar zien hoe ze geleden heeft’, zei hij. Of mijn moeder dat gewild zou hebben? Ze hield altijd nogal van een beetje decorum. Ik had er vrede mee dat mijn vader dat zo wilde. Ik heb nog steeds een notitieblokje met goede adviezen van haar en opbeurende uitspraken, zoals ‘Er is geen nacht zo donker of het wordt weer licht’. Daar kijk ik nog regelmatig naar.’