Joyce
‘Joyce en ik zijn vriendinnen sinds de mavo. We doorstonden samen de puberteit, waarin we natuurlijk lief en leed deelden. Het was een fijne vriendschap, die ook standhield toen we ieder onze eigen onderneming startten. Joyce als financieel administrateur, ik als freelance tekstschrijver. We beleefden goede, maar ook minder goede tijden, zoals elke zelfstandige. Maar eerlijk is eerlijk, het ging – en gaat – Joyce meer voor de wind dan mij. Dat heeft ook te maken met de chronische rugpijnen waar ik sinds mijn veertigste mee worstel. Hierdoor moet ik geregeld intensieve opdrachten afzeggen. Heel vervelend, want ik kan de inkomsten goed gebruiken.
Joyce is fysiek een veel sterkere vrouw dan ik. Ze sport wekelijks drie keer om vervolgens, op zondagochtend, nog eens twee uur door het bos te sjouwen. Ik kan dat niet en eerlijk gezegd word ik ook blijer van koffie en de krant in het weekend. Bovendien beweeg ik heus, maar op mijn manier. Of beter gezegd: op de manier zoals mijn fysiotherapeut en tevens personal trainer me adviseert. Daar houd ik me keurig aan.
"Wanneer het niet gaat zoals zij het graag ziet, begint ze te neuriën"
Toch heeft Joyce de neiging om mij te pushen met haar mee te gaan naar de sportschool. Althans, ik ervaar het als pushen. Drillen. Dan wijst ze me op de voordelen van intensief bewegen in combinatie met yogasessies of pilates. Dat is absoluut goed bedoeld, maar uiteindelijk heeft ze geen barst verstand van scoliose en de manier waarop daarmee verstandig om moet worden gegaan.
Dat heb ik haar ook dikwijls verteld, maar dan ‘humt’ ze wat. Dat doet ze altijd; ‘hummen’ of neuriën, wanneer het niet gaat zoals zij het graag ziet. Meestal houd ik me wel stil. Mijn moeder zei vroeger altijd: ‘Vaak ben je het meeste, als je de minste bent.’ Daar denk ik dan maar aan. En zin in discussies met mijn vriendin heb ik al helemaal niet, want je moet van goeden huize komen wil je ’t van haar winnen.’
Wandelen, niet handelen
‘Toch, met het klimmen van de jaren, lijken Joyce’ goedbedoelde adviezen steeds meer bepalend te worden. En dat staat me enorm tegen. Toen mijn man Jan en ik besloten uit elkaar te gaan, nu twee jaar geleden, bracht dat voor mij knap veel stress met zich mee. Ik moest Jan uitkopen omdat ik dolgraag in ons huis wilde blijven wonen. Dit betekende dat ik een tweede hypotheek moest afsluiten. En dat valt in de huidige tijd niet mee, zeker niet als freelancer.
Natuurlijk heb ik bij Joyce zitten brullen, omdat ik het dikwijls niet meer wist. Haar luisterend oor was fijn. En zorgzaam als ze is, kon ik altijd bij haar en haar gezin aanschuiven voor een heerlijke maaltijd. Want koken, dat kan ze ook nog eens als de beste.
Uiteraard heb ik mijn vriendin nooit mijn financiële administratie laten doen. Met vrienden moet je immers wandelen, niet handelen. Weer zo’n wijze uitspraak van mijn moeder die ik altijd heb onthouden. Maar, op een avond, terwijl we bij mij achter het huis een glas wijn dronken, stelde ze dat zij zich maar over mijn bankzaken moest buigen. Ze vond dat Erik-Pieter, die zich op dat moment hard maakte voor mijn tweede hypotheek, er wel erg lang over deed.
Ik keek haar aan en zei zonder na te denken dat ik er niet over péínsde. Erik-Pieter is niet alleen van mijn zaken op de hoogte, maar hij weet ook van Jans inkomsten alle ins en outs. Bovendien heeft hij niet alleen een hoog IQ, ook zijn EQ is bovengemiddeld. Hij had een uitermate uitgekiend Plan van Aanpak opgesteld, wat hoogstwaarschijnlijk positief door de bank zou worden ontvangen. En waar zowel Jan als ik prima mee konden leven. Want dat was ons doel; als vrienden uit elkaar gaan. En natuurlijk vielen er soms harde woorden tijdens de bemiddelingen, maar Erik-Pieter wist feilloos hoe hij deze discussies moest leiden.
Daar kwam geen Joyce, met haar felheid, aan te pas. Hier was ik heel duidelijk in en dat stond haar maar matig aan. Ze humde weer eens wat, dronk haar glas leeg en zei alleen maar het beste met me voor te hebben. Ik bedankte haar voor haar meedenkend vermogen, maar liet het erbij. Toen ze wegging kwam de stoom uit m’n oren. Heel veel gekker moest het niet worden.
Uiteindelijk heeft het slechts drie maanden geduurd, de hele financiële afhandeling. Wat was ik trots toen ik bij de notaris de hypotheekakte tekende. En Jan was me meer dan dankbaar. Samen met Erik-Pieter proostten we op de goede afloop om vervolgens ieder ons weegs te gaan.’
"Ja, ik verdien minder, maar ik ben niets minder waard"
Tot mislukken gedoemd
‘Ik pakte de draad van het leven en mijn werk weer op en ontmoette een aardige ondernemer waarvoor ik een bedrijfsspecial moest schrijven. We hadden een klik. Naast de zakelijke gesprekken, deelden we steeds meer persoonlijke dingetjes. Hij was sinds een jaar gescheiden en best happy single. Eigenlijk net als ik, want voorlopig was ik absoluut nog niet toe aan een nieuwe relatie. Dit hielden we vol totdat mijn schrijfklus was geklaard.
Hij was er blij mee en nodigde me uit voor een etentje. Bij kaarslicht, in een knus restaurant met heerlijke wijnen. Het was een topavond. En ja, de vonk sloeg over.
Heel voorzichtig konden we na een paar maanden spreken van een relatie. Dit had ik tot die tijd verzwegen voor Joyce en dat had een reden. Rick is woonachtig in het noorden van Groningen. Ik woon in het centrum van Utrecht. Die afstand is best groot. Bovendien is hij een echte plattelander, ik ben een stadsmens. ‘Gedoemd te mislukken’, hoorde ik Joyce bij voorbaat al zeggen.
En dat gebeurde ook. We waren een dag winkelen. Het viel Joyce op dat ik weer straalde. Echt straalde. ‘Je bent verliefd!’ jubelde ze – oprecht blij voor me. Ik kon het natuurlijk niet verbergen en vertelde haar bij een kop koffie over Rick. Uit Groningen. Gehum. Tuurlijk!
Ze vroeg niet naar zijn leeftijd, niet of hij vader was, niet naar zijn bedrijfsvoering. Niets. Wél zei ze een beter idee te hebben en daarmee veegde ze mijn hele enthousiaste verhaal over Rick, met een handgebaar van tafel. Een neef van haar – webdesigner – was sinds een paar maanden gescheiden en zou de perfécte kandidaat voor me zijn. (‘Kandidaat’, zo zei ze het echt). Die komende vrijdag zou hij bij Joyce en haar man komen eten. ‘Nou, dan kom jij gewoon even bij ons binnenvallen en prik je spontaan een vorkje mee. Ik weet zeker dat jij, als tekstschrijver, en Gert, als webdesigner, direct een klik zullen hebben. Wie weet zit er wel een fijn zakelijk contact in en, joeh, jullie passen, ook op het persoonlijke vlak. Ik weet het zéker. Vrijdag rond acht uur, zo dóén we het!’ Triomfantelijk keek ze me aan.
En ik? Ik keek terug alsof ik water zag branden. Dit kon niet waar zijn.’
Geen underdog meer
‘‘Joyce?’ Mijn toon was scherp genoeg om tot haar door te dringen. Gehum. Waar ik me deze ronde niets van aantrok. ‘Zo doen we het dus níét. Het moet maar eens afgelopen zijn met de manier waarop jij wilt bepalen hoe ik mijn leven invul. Ik ben ze beu, jouw ideeën. De goed-beter-best-missies. En om telkens de underdog te spelen. Want daar lijkt het inmiddels aardig op. Alle goede bedoelingen ten spijt; ik ben een volwassen vrouw. En ja, fysiek niet zo sterk als jij. En ja, daardoor verdien ik een stuk minder. Maar daarom bén ik geen millimeter minder waard. Hoor je me?’
Mijn hart bonkte als een bezetene toen ik haar dit aan het verstand bracht, maar het deerde me niet meer. Het werd de hoogste tijd dat mijn moeders’ motto ‘vaak ben je het meeste als je de minste bent’, maar even in de wind werd geslagen. Want het voelde al heel lange tijd knap slecht. De bepalingen, vooroordelen en argumenten. Bah.
Ik heb het geweten. Neuriënd stond ze op, gooide vijftig euro op tafel en liep kaarsrecht het koffietentje uit. Dit was Joyce ten voeten uit; nét meer, nét beter, nét trotser. Vijftig euro voor twee koffie met een appelpunt.
Dit voorval speelde drie maanden geleden. Sindsdien hebben we geen contact gehad. En eerlijk? Ik vond het zalig rustig. Onlangs was ik jarig en ontving ik een bloemetje van haar met een ‘Ik mis je’-kaartje. Erg lief. Ik appte haar een bedankje, waarop zij prompt reageerde. Ze stelde voor om binnenkort af te spreken. Ik reageerde positief, want als er iemand niet haatdragend is dan ben ik het wel. Maar ik zette de kanttekening erbij dat ik van mijn destijds gesproken woorden geen letter terug zou nemen.
Hierop bleef het een aantal dagen stil. Ik hoorde haar in gedachten alweer ‘hummen’. Maar toch, binnenkort hebben we een date. Hopelijk wordt haar dan duidelijk dat ik me absoluut niet meer conformeer aan haar ideeën. Want ik heb zo de mijne. En die volg ik, omdat mijn gevoel me nog niet zo heel vaak in de steek heeft gelaten. Daar zal ze maar aan moeten wennen. Of niet. We gaan het zien.’
De namen in dit artikel zijn gefingeerd.