Schrijver en presentator Özcan 'Eus' Akyol (1984) heeft geen betere herinneringen aan zijn eigen vader dan dat die een alcoholische huistiran was. De man die hem fysiek en mentaal mishandelde, vormt voor Eus een drijfveer om zijn eigen vaderschap voortdurend te beoordelen en te perfectioneren.
Vaderschap
'Het zijn van die sponsen, ze absorberen alles. Je kunt ze alles leren, je kunt ze ook alles meegeven. Ik zie hoeveel zij oppikken en wat zij allemaal begrijpen. Hoeveel talenten en hoeveel zwakheden ze hebben. Daar kun je als ouder echt mee aan de slag. Op zulke momenten kan ik nog steeds medelijden krijgen met mijn broers en mijzelf. Wij waren ook ooit jongetjes van die leeftijd. Naar ons werd nooit op die manier gekeken, wij werden helemaal niet aangemoedigd.
Soms treft het me om te zien hoe breekbaar mijn zoon op deze leeftijd is en dan bedenk ik dat ik zelf ook die kwetsbaarheid had. Als ouder moet je daar heel prudent mee omgaan. Als onderwijzer ook. Ik ben achteraf ook heel kritisch op de leraren met wie ik vroeger te maken kreeg. Kinderen van die leeftijd zijn zo ontvankelijk voor kritiek. Hun gevoeligheid raakt me steeds weer. En het sterkt me in mijn eigen opvattingen; ik moet een goede vader zijn, ik moet in deze kwetsbare fase op de juiste manier met ze omgaan.
Ik heb een enorme neiging tot overcompenseren voor alles wat ik zelf tekort ben gekomen. Daarin moet ik nog steeds leren doseren. Als mijn zoon met een schaar een stuk papier recht doormidden knipt hoor ik mezelf zeggen: ‘Ik ben trots op je.’ Ik meen het op dat moment heel erg. Achteraf denk ik natuurlijk: waar slaat dit op? Iedere idioot kan dit. Waarom zeg ik dat ik trots ben? Ik moet oppassen dat ik geen jongen creëer die om applaus gaat zitten vragen, die afhankelijk wordt van waardering en schouderklopjes.
‘Mijn kinderen vormen vaak de spiegel op mijn eigen jeugd.’
Ook materieel heb ik de neiging gehad om te compenseren. Toen Mia geboren werd, kocht ik extreem veel dure spullen. Zo’n heel grote roze Mercedes, waarin ze zelf zou kunnen rijden. Merkkleding waar ze meteen uit groeide. Het sloeg allemaal nergens op. Nog steeds heb ik één zwakke plek. Dat zijn schoenen. Omdat ik vroeger altijd te kleine schoenen droeg, waardoor ik ingegroeide teennagels kreeg. Meer dan compensatiedrang vind ik dat een intergenerationeel trauma. Ik heb meer dan honderd paar schoenen. Ik cultiveer het, vind ook: je kunt beter schoenen verzamelen dan geld uitgeven aan drugs. Maar het is wel grappig om te zien dat kinderen dat observeren. Mia heeft ook een hele rij. Ik vroeg Anna: ‘Hoe komt ze aan al die schoenen?’ Bleek ik ze allemaal te hebben gekocht. Iedere keer dat ze schoenen wil hebben, ren ik naar de winkel. Ze hoeven maar te zeggen dat ze pijn aan hun tenen hebben en ik koop meteen drie paar. Anna laat me, want ze weet waar het vandaan komt. Kleding was echt een vernederend ding voor ons vroeger.
Ik probeer ze wel bewust te maken, niet te verwennen. Ze krijgen zakgeld en niet meer dan dat. We zijn ook gestopt met vragen wat ze willen eten die avond.
Compenseren
Langzaam ben ik die compensatiedrift aan het terugdraaien, maar het zit er nog diep in. Ook op het gebied van complimenten en aandacht geven. Ik zat vroeger op voetbal, maar er kwam nooit iemand kijken. Mia voetbalt, Baran zit op hockey en iedere week staat een van ons langs de lijn. Maar ik ben geen cliché voetbalvader die alles goed en mooi vindt. Als je geen talent hebt, heb je geen talent, maar als ik zie dat ze niet hun best doen, hebben ze een probleem. Dan ben ik streng. Dat is ook compensatie, want zo’n vader had ik niet vroeger. Er was in geen enkel opzicht begeleiding.
‘Ik heb een enorme neiging tot overcompenseren’
Ik moet eerlijk zeggen dat het niet altijd effectief is om ze iets mee te geven vanuit mijn eigen gemis. Baran heeft vaak de neiging dat hij meteen iets wil hebben, Pokémonkaarten bijvoorbeeld. Op een zeker moment trok ik het niet meer dat het eerste waar hij om vroeg wanneer ik thuiskwam die Pokémonkaarten waren. Toen heb ik hem meegenomen naar de buurt waar ik ben opgegroeid. Ik liet hem de huisjes zien waar wel zes kinderen woonden. Ik liet hem de boom zien waar we kersen plukten voor onze ouders, zodat ze iets extra’s hadden, iets wat gratis uit de natuur kwam. Ik liet hem een verzamelpunt zien, waar mensen hun oude kleding konden droppen en waar wij kleren uit visten die we konden gebruiken. Ik hield een verhaal over armoede, dat duurde wel een uur. Toen we thuiskwamen, vroeg ik hem wat hij ervan had geleerd. Hij keek me aan en vroeg: ‘Mag ik Pokémonkaarten?’
Eerlijkheid
Ik zeg ook heel vaak als Mia of Baran stout is geweest: ‘Vroeger had ik nu een pak slaag gekregen met de riem.’ Dan kijken ze me aan en snappen ze echt niet wat ik zeg. Ik probeer ze uit te leggen dat het niet vanzelfsprekend is dat wij proberen dingen liefdevol op te lossen. Anna vindt dat ik daarmee moet oppassen en ze heeft gelijk, want ze kunnen het zich ook te veel aantrekken. Het intergenerationele trauma is een waanzinnig interessant onderwerp. Ik kan wel elke keer over armoede praten, maar zij kunnen er ook niks aan doen dat ze dit leven hebben. Ik moet ze geen schuldgevoel geven over het feit dat zij wel vermogende ouders hebben. Of ouders die in staat zijn om liefde te geven, die kunnen praten over gevoelens. Dat voorrecht hebben zij nu eenmaal, ik hoef ze daar geen slecht gevoel over te bezorgen. Het is lastig voor me om de balans te vinden.
Door het vaderschap ben ik nog kritischer op mezelf. Ik vind mezelf allesbehalve volmaakt en ben heel perfectionistisch. In die zin is het vaderschap ook een kwelling waarin ik telkens word geconfronteerd met mijn eigen onvolkomenheden.'