In deze aflevering van onze serie Wat ik altijd nog aan mijn ouders had willen vragen: Annemarie Oster (82). Na een onafgemaakte opleiding aan de toneelschool, begon ze als radio-omroepster bij de VPRO. Op televisie was ze onder andere te zien in Hadimassa. Tijdens haar tweede huwelijk richtte ze zich meer en meer op het schrijven van boeken, columns en toneelrecensies. Onlangs verscheen haar boek Mantelliefde over de zorg voor haar derde man, die aan vasculaire dementie leed. Haar nieuwste boek heet Mannen en gaat over de rol die mannen in haar leven speelden (en spelen).
‘Als er één vraag is, die ik nog aan mijn ouders zou willen stellen, is het deze: waarom hebben jullie mij weggedaan, me weggestopt bij pleeggezinnen en op kostscholen? Want dat is er met mij gebeurd, al heel snel na mijn geboorte. Ik heb altijd heel sterk het gevoel gehad dat ik een ongelukje was. Hoewel ik later in het babyboek dat mijn moeder na mijn geboorte bijhield, zinnen las als ‘Ik was verliefd op je’.
Dat was misschien wel zo, maar ze had geen enkel psychologisch inzicht. Ze dacht dat het voor mij het beste was als ik in een pleeggezin zou opgroeien, met twee verzorgende ouders en een paar broertjes of zusjes. Lekker ergens in de natuur en niet in de grote stad. Ik was het kind van twee acteurs, Ank van der Moer en Guus Oster, allebei eerzuchtig en volop bezig met hun carrière. Daar paste geen kind in. Ook in de oorlog (ik ben in 1942 geboren) speelden zij door. Mijn moeder is daar na de oorlog voor bestraft met een acteerverbod van een maand. Vlak na mijn geboorte was ik wel bij haar. Ze gaf me de borst in haar kleedkamer, waar ik in een wiegje lag. Snel daarna ging ik naar mijn oma in Drenthe. Van mijn vader weet ik dat hij flirtte met de verpleegsters in het Emma Kinderziekenhuis in Scheveningen, waar ik geboren ben. Hij was een onverbeterlijke vrouwenversierder, een enorme charmeur.
Pleegezinnen
Mijn ouders zijn na tien jaar huwelijk gescheiden, waarna ze allebei opnieuw trouwden. Mijn vaders tweede vrouw, op wie ik dol was, heeft ooit nog geopperd om mij in huis te nemen, maar dat weigerde hij. Hij kreeg daarna nog twee kinderen, een zoon en een dochter, mijn halfbroer en halfzusje, met wie ik tot de dag van vandaag goed contact heb. Aan het eind van de oorlog ben ik in een legervliegtuigje naar Eindhoven gebracht, naar mijn eerste pleeggezin. Geen idee hoe mijn vader aan dat vliegtuigje was gekomen. Dat zou een goede tweede vraag aan hem zijn: hoe had je dat in vredesnaam geregeld? Uiteindelijk heb ik in twee pleeggezinnen gezeten. Uit dat eerste ben ik weggegaan (weggestuurd, mag je wel zeggen), toen die pleegouders het een beetje precair gingen vinden dat hun twee zoons opgroeiden met een jong meisje. Zogenaamd gingen ze naar Canada emigreren en kon ik niet mee, maar van die emigratie is nooit iets gebleken. Ze wilden me gewoon op een nette manier kwijt. Daarna kwam ik bij tante Guus in Amersfoort terecht, een schat van een vrouw met een dochtertje van mijn leeftijd. Tot het eind van haar leven ben ik haar altijd blijven bezoeken, die lieve, onbaatzuchtige vrouw.
Toen ik veertien werd, kreeg mijn moeder opeens het idee, dat ik wel bij haar in Amsterdam kon komen wonen. Zij zou dan een jaar niet optreden en er voor mij zijn. Nou ja, zij bleef wel voor de televisie werken. Ik werd van het gymnasium in Amersfoort afgehaald en moest naar het Barlaeus in Amsterdam. Dat wonen in Amsterdam werd één grote desillusie. Op dat gymnasium vond ik het doodeng met al die nieuwe kinderen en in de stad voelde ik me ook verloren. Ogenschijnlijk paste ik me wel aan, maar ik was vreselijk onzeker. Na een jaar ging m’n moeder weer toneelspelen en met mij ging het fout op het Barlaeus, dus ik moest naar kostschool. Ik heb op twee kostscholen gezeten, een in Zwitserland en een in Engeland. Daar haalde ik uiteindelijk mijn diploma.
‘Op mijn leeftijd begrijp ik hun opportunisme en egocentriciteit veel beter’
Scheve schaats
Mijn moeder had een heel groot talent voor toneel en zolang het maar over toneel ging, was ze leuk en gezellig, maar ze was volstrekt niet toegerust voor het gewone leven. Mijn vader vond me pas leuk toen ik als puber in Amsterdam kwam wonen. Hij gaf altijd nul op het rekest als ik hem iets vroeg, bijvoorbeeld over dat vliegtuigje. Ook als ik iets vroeg over de oorlog. ‘Hoe ging dat nou, jullie speelden allebei door, hebben jullie misschien een scheve schaats gereden met de Duitsers?’
Wat betreft vragen stellen aan je ouders: is het misschien niet hét grote manco van die relatie dat een kind zijn of haar ouders bepaalde pijnlijke dingen niet durft te vragen? Natuurlijk heb ik het weleens geprobeerd – meestal had ik dan wel een slok op –, maar altijd kreeg ik het geijkte antwoord: ‘Je had het toch leuk in die pleeggezinnen, veel beter dan in Amsterdam?’ Ach, ik heb ze veel kwalijk genomen, maar ik ben vrij vergevingsgezind van aard en op mijn leeftijd begrijp ik nu hun opportunisme en egocentriciteit veel beter dan vroeger. ‘Schuldeloze schuld’ noemen psychiaters dat. Trouwens: ik ben inmiddels ouder dan zij geworden zijn, 68 en 71 jaar. Lekker, net goed!’