Startsein van de zoektocht
‘Na drie buikoperaties verdween mijn seksueel verlangen. Ik leed aan endometriose, maar dat kwam pas later aan het licht. Mijn zin in seks viel weg, alsof het licht had uitgedaan. En wat het ingewikkeld maakte: ik ben relatietherapeut en seksuologisch hulpverlener. Ik ken de modellen, de cijfers, de verklaringen. Ik begeleid vrouwen en koppels, ook in hun intimiteit. Maar die kennis helpt weinig wanneer je eigen lichaam de deur dichttrekt. In mijn praktijk hoorde ik intussen hetzelfde verhaal. Vrouwen die me toevertrouwden: ‘Bij mij is het wat minder’, ‘het zal de leeftijd/(peri)menopauze/mijn post partum wel zijn’, ‘ik ben gewoon niet zo’n seksueel type’. Daar begon mijn zoektocht naar taal en kader om vrouwen zoals ik te helpen. Ik ontwikkelde een methodiek. Ik wilde verlangen niet forceren – dat werkte ook niet bij mezelf – maar leren voelen wat mijn lichaam nodig had om te kunnen verlangen. Ik testte mijn bevindingen eerst op mezelf en dan in mijn praktijk. Ik noteerde alles zorgvuldig.
Geen randfenomeen
Wanneer verlangen verdwijnt, voelen vrouwen dat bijna altijd als een persoonlijk falen. Alsof er iets fundamenteel mis is met hen. Wanneer het vrouwelijk verlangen in langdurige partnerrelaties verdwijnt door stress, ziekte, rouw en hormonale shifts ontstaat een innerlijk oordeel. En dat oordeel is vaak scherper dan het gemis zelf. Ik hoor zelden: ‘Ik ben uitgeput’ of ‘Mijn systeem staat onder druk’. Ik hoor: ‘Ik ben kapot, ik schiet tekort, ik faal als partner’.
Dit komt niet uit het niets. We leven in een cultuur die vrouwelijke seksualiteit tegelijk op een podium zet en in een keurslijf duwt. Overal is prikkeling, beeld, belofte. Je moet naar seks verlangen. Maar niet te veel. Je moet beschikbaar zijn. Maar niet needy zijn. Vrouwelijke seksualiteit mag open en sensueel zijn, maar niet ‘té’ openbaar, en niet ‘té’ veel. En vooral: seks moet spontaan zijn, moeiteloos, vlot. Wie niet mee kan, zwijgt. Of verliest.
De cijfers tonen de ontnuchterende realiteit. Onderzoek laat zien dat 41 procent van de vrouwen tijdens haar leven minstens één hardnekkig seksueel probleem ervaart: laag verlangen, verschil in verlangens met de partner, opwindings- of orgasme-problemen of pijn bij het vrijen. Dat is echt geen randfenomeen meer. Het zijn onze zussen, onze vriendinnen, onze collega’s. Dat zijn wij. Het probleem zit dus niet op individueel niveau. Het zit in de druk, de vermoeidheid en de verhalen die we elkaar vertellen over hoe verlangen hoort te zijn.
‘Vrouwelijk verlangen staat onder hoogspanning: Je moet het hebben, maar niet te veel’
Lichaam als werkplek
In mijn praktijk begint het gesprek zelden bij seks. Het begint bij zinnen als ‘ik ben zo moe’, ‘ik sta altijd aan’ of ‘er wordt zoveel van mij verwacht’. Pas later volgt de durf om te openen over verlangen, of beter: over het verdwijnen ervan. Wanneer ik doorvraag, kom ik bijna altijd op dezelfde onderlaag uit: uitputting, zelfverlies, een leven dat te lang in dienst stond van anderen. Veel vrouwen dragen zorg als een tweede fulltime job. Ze managen agenda’s, emoties, huishoudens, familiebanden, werkdruk. Ze anticiperen, verzachten, organiseren. Zorg is geen keuze meer, maar een permanente staat van paraatheid. Het lichaam kan niet tegelijk waken en verlangen. Chronische stress speelt daarin een hoofdrol. Bij langdurige spanning blijft het stresssysteem actief: cortisol hoog, zenuwstelsel alert, weinig herstel. Dat is biologisch gezien geen vruchtbare bodem voor seksueel verlangen. Verlangen hoort bij veiligheid, bij ruimte, bij een lichaam dat niet op overleven staat. Onder stress kiest het systeem voor controle, niet voor overgave.
Ik zie ook verschillen tussen hoe mannen en vrouwen hiermee omgaan. Mannen ontladen stress vaker via afzondering, actie of zelfs in seks. Vrouwen blijven gemiddeld langer in rationele waakzaamheid: afstemmen, zorgen, verbinden, oplossen. Dat voortdurende afgestemd zijn op de ander heeft een prijs. Wie altijd zorgt, staat zelden nog in de positie van degene die mag ontvangen, ontdekken, willen. Het lichaam wordt zo een werkplek. Een plek waar gepresteerd, geregeld en volgehouden wordt. Daarom heb ik mijn focus verlegd. Niet langer werken aan verlangen, maar werken aan veiligheid. Niet vragen: hoe krijgen we de zin terug? Wel: wat heeft dit lichaam nodig om zich weer veilig genoeg te voelen om zich te openen?
Tussen hart en heupen
Na een tijd begon ik patronen te zien die zich niet lieten wegredeneren. Bij vrouwen in mijn praktijk, in hun verhalen over verdwenen zin, over hun gespannen lichamen en hun stille relaties. Omdat ik het wilde begrijpen, ben ik opnieuw gaan studeren. Ik heb mijn bachelorscriptie geschreven over seksuele sputteringen bij vrouwen in langdurige relaties. Toen mijn collega’s dit lazen, vroegen ze of ik er geen boek over wilde schrijven. Zo groeide een werkboek, dat vertrekt vanuit drie lagen: Hoofd (begrip, kennis, context), want vrouwen willen begrijpen en begrijpen is nodig om verder te kunnen. In Hart helen we rationele kwetsuren (veiligheid, hechting, emotionele waarheid) en herstellen we ook de relatie met onszelf (eigenbeeld en eigenwaarde). Pas daarna belanden we bij Heupen (lichaam, ritme, aanraking, autonomie), waar we oefenen, voelen, proberen, falen en opnieuw beginnen.
Maar... terwijl ik dit model ontwikkelde, liep ik zelf vast. Precies in dat overgangsgebied tussen hart en heupen. Ik kon praten, analyseren, afstemmen, zorgen, maar mijn lijf bleef achter. Ik botste frontaal op wat ik later de drie W’s ben gaan noemen: weerstand, weerzin en wanhoop. Weerstand tegen alles wat te dichtbij kwam, alles wat in de buurt van mijn seksuele kwetsuur kwam. Weerzin tegen moeten, tegen verwachting, tegen nog meer beschikbaar zijn, terwijl ik me leeg voelde. En daaronder: wanhoop! Het stille, schurende gevoel dat ‘het’ niet meer terugkomt. Dat stuk was rauw.
Verdriet van partner
Mijn partner werd mijn katalysator. Hij had verdriet. Hij miste ons, miste de lichamelijke taal tussen ons. En hoe pijnlijk ook: zijn verdriet kneep me de keel dicht. Omdat ik geen ruimte meer had om dat te dragen. Aan de andere kant: zijn duidelijkheid hielp, het werd mijn urgentie. Verlangen verdwijnt nooit bij één persoon alleen, het schuift onder de hele relatie. ‘Het’ kwam niet terug. ‘Het’ werd anders. We hebben anders leren vrijen, ik heb anders leren verlangen. Dit herstel duurde ongeveer twee jaar. Met vallen en opstaan. Met stiltes. Met opnieuw beginnen, terwijl ik dacht dat ik al verder was. Het zwaarste was niet het gebrek aan seks. Het zwaarste was het verlies van vanzelfsprekendheid. Niet meer spontaan kunnen voelen wat vroeger vanzelf kwam. Dat gevoel van vervreemding en dát zie ik ook bij vrouwen in mijn praktijk. Maar hoe kon ik koppels begeleiden als ik zelf zo worstelde? Pas toen ik mezelf niet langer als uitzondering maar als deelnemer zag, kon ik mijn rol als hulpverlener volledig innemen.
Penetratieverbod
Mijn aanpak vertrekt niet vanuit ‘meer’ seks, niet vanuit frequentie, techniek of prestatie. Ik werk toe naar het weer kunnen voelen. Ik haal de prestatiedruk uit de slaapkamer. We werken responsief. Dat betekent: leren luisteren naar kleine ja’s in het lichaam. Wie alleen op de grote zin wacht, blijft eeuwig wachten. Ik werk zelf met Hoofd en Hart, en voor Heupen verwijs ik door naar lichaamstherapieën en -therapeuten die ik zelf uittestte. Ademhaling, bekkenbewustzijn, trage aanraking, oefeningen die het zenuwstelsel kalmeren. Met zelfbeminning, met penetratie-seks-‘verbod’, met stap voor stap herontdekken wat wél nog voelbaar is. Ook met therapievormen die rechtstreeks op spanning en trauma werken. Met het leren lezen van lichaamstaal, die van jezelf en van jouw belangrijke ander. Waar trek je terug? Waar kom je dichterbij? Wanneer bevriest iets, wanneer verzacht het? Het lichaam wijst de weg, als je het opnieuw leert verstaan.
En onder alles ligt relationele veiligheid. Heb je gewerkt aan je teleurstellingen, je angst voor verlating of verbinding, heb je je huiswerk gemaakt? Kun je vertragen zonder schuldgevoel, kan je grenzen aangeven zonder dat de ander zich afgewezen voelt? Kan je blijven staan als je partner niet met je eens is?
De andere kant van veiligheid
Stilte in bed schreef ik voor vrouwen in langdurige relaties die voelen: er klopt iets niet meer. Voor vrouwen die nog steeds liefde voelen voor hun partner, maar het contact met hun lichaam op pauze hebben gezet. Voor vrouwen die seks hebben, maar zichzelf niet meer (her)kennen. Voor koppels die elkaar niet kwijt zijn, maar op de grens van de twijfel en de aanvaarding zitten. En voor iedereen die wil begrijpen dat verlangen niet verdwijnt door gebrek aan liefde, maar vaak door te veel aanpassen. Daarnaast koos ik voor de partnerrelatie omdat we nog te weinig parate kennis hebben over de relatie tussen seks en liefde. De voorwaarden voor seks staan bijna lijnrecht tegenover de voorwaarden voor een veilige partnerrelatie. Ook het aspect veiligheid heeft twee kanten. Je hebt het nodig om seksueel te accelereren, tegelijk maakt het je verlangen doffer en wordt seks een stuk gewoner, dus saaier. Met andere woorden, juist omdat je in een langdurige partnerrelatie zit, ebt je verlangen weg.
Het is niet te laat. Niet als je veertig bent, niet als je zestig bent. Het lichaam kent seizoenen en is wijzer dan alle adviezen samen. Je hoeft niet ‘gerepareerd’ te worden, wel wil ik je uitnodigen om een nieuw soort verlangen te leren kennen.’