De vlucht door Amir Andriesse

Een jaar geleden bleek een flinke keelpijn niet een ontsteking, maar keelkanker: een gezwel op mijn rechteramandel. Links zat slechts één verdachte lymfeklier, maar die moest er wel worden uitgehaald voor onderzoek. Een kleine operatie.

Dat was op de laatste maandag van juli. Een week later zou hoe dan ook de bestraling beginnen.

Mijn vrouw en ik vermoedden, nee, wísten dat dit de laatste week van ons oude leven was. Hierna zou niets meer hetzelfde zijn, hoe goed en voorspoedig de behandeling ook zou verlopen. We moesten weg. Vechten kwam later wel. Nu was het tijd om te vluchten.

Vechten kwam later wel, nu was het tijd om te vluchten

Een paar uur na de operatie ben ik wakker genoeg om naar huis te mogen. Mijn vrouw Els en mijn toen zesjarige zoon Eric komen me halen. Met een mooie ‘papa’-ketting en een groot kartonnen hart met kleine hartjes erop, van de kinderen van de bso. With a tank full of gas and a pocket full of money. En een zak vol pijnstillers.

We rijden zuidwaarts. België door, Frankrijk in. We hebben beiden het onuitgesproken gevoel dat we verder moeten, weg van alles, weg van de ellende die al achter ons ligt, weg van de ellende die gaat komen, doorrijden tot het eind van de wereld, nooit meer terugkomen, nooit meer terugkijken. Dat kan niet, natuurlijk niet, maar wat we nu bovenal nodig hebben, is het gevoel dat dat wél kan. 

We stoppen om de zon te zien wegzakken. Waar hij heengaat, daar willen wij ook zijn. Voor nu is Normandië dus ons einde van de wereld. Tegen elf uur komen we aan in Trouville-sur-Mer. We bestellen kreeft, oesters en champagne in de brasserie van Hôtel Le Central. Eric eet zich ongans aan kokkels. Een feestmaal is het, en niets minder. Om het leven te vieren, iets dat we sindsdien nog heel vaak hebben gedaan – en zullen blijven doen tot het einde der tijden.

Het is een korte vakantie van uitersten. Van verdriet, maar vooral van het creëren van mooie herinneringen. Bij de Pegasusbrug krijg ik twee dagen later het slechtnieuwstelefoontje van het ziekenhuis. In die ene lymfeklier zit ook wat. Bestralen moet dus aan beide kanten. De kans was één op zestien en daar had ik me aan vastgeklampt. Ik stort in. Els en Eric zijn net binnen om koffie en een ijsje te halen. Wanneer ze weer buiten komen en me verslagen op een muurtje zien zitten, ins Blaue hinein starend, komt Eric meteen met me knuffelen. ‘Komt wel goed, papa’, zegt hij. Iets dat hij in de maanden erna nog vaak tegen me zegt wanneer ik er weer eens doorheen zit.

Ik dacht dat ik best stoer was in die dagen. Dat je aan mij niet kon zien dat ik voor een life changing event stond. ‘Komt wel goed’ was ook mijn mantra. Maar op de foto’s die we tijdens die trip hebben gemaakt, zie ik een doodsbange man die voor het eerst te maken krijgt met iets waar hij zelf geen hand in heeft. Iets dat hij zelf totaal niet kan sturen. En die daar heel veel moeite mee heeft; zijn vanzelfsprekende bravoure is helemaal weg. Grappig hoe je jezelf zo voor de gek kunt houden.

We bestellen kreeft, oesters en champagne

Het litteken van de operatie waarbij die ene verdachte lymfeklier is verwijderd, is een kleine twee centimeter lang. Na twee dagen niet scheren is het niet te zien en zelfs op een gladde hals valt het nauwelijks op. Maar het zit er wel. Ik heb er geen stoer verhaal bij. Het verhaal van het litteken is één van de talloze anekdotes van het laatste jaar. Maar het is bepaald geen triest verhaal. Want elke keer dat het me opvalt, denk ik niet aan die lymfeklier, niet aan die operatie en niet eens aan alle kankerzooi. Dan denk ik aan die geweldige vlucht naar Normandië, aan kreeft en champagne, aan de zonsondergang, aan het strand, aan ‘komt wel goed, papa’.

Reacties (0)