April is zo'n tussenmaand waarin we als een slang die haar oude vel afwerpt, langzaam uit onze wintercocon kruipen. De dikke truien gaan de winterkast in, en opeens moeten we luchtig. Dan duiken we de paskamers in om ons onder meedogenloos tl-licht in nietsontziende badpakken en bikini’s te wurmen. Terwijl ik mij in zo’n hokje in een badpak worstel dat zich manifesteert als compressiekous, denk ik terug aan de afgelopen winter. Aan mijn eerste wintersportvakantie sinds tien jaar. Aan hoe heerlijk overzichtelijk het leven kan zijn als je volledig bent ingepakt. Thermo, jas, broek, helm, bril. Alleen jij, de kou en een berg die je vriendelijk toelacht en ondertussen je ondergang plant.
Pas voor de derde keer in mijn leven op ski’s. 57 jaar oud. Opgegroeid in een gezin waar wintersport iets was dat alleen rijke mensen deden. Wij gingen niet skiën. Wij gingen naar de camping. In Vogelenzang. Met een niet verwarmd zwembad.
Niet gehinderd door enige kennis en volledig ongetraind staar ik naar de eerste afdaling. Volgens mijn goede vrienden die van jongs af aan skiën is dit ‘gewoon heel simpel in pizzapunt naar beneden’.
Ik til mijn ski’s over de rand en maak zowaar een bocht. En nog een, en voel dat mijn lichaam een volstrekt andere afslag neemt dan mijn hoofd en daar lig ik. Onbeholpen als een meikever spartelend op mijn rug in de sneeuw. Ski’s recht omhoog.
Opstaan blijkt ingewikkelder dan bevallen. Mijn spieren blijken praktisch onbruikbaar. Ik draai, ik worstel, en kom geen centimeter verder. Dan verschijnt er een uiterst vriendelijke skileraar. Zon op zijn gezicht, eeuwige rust in zijn stem. Achter hem een lange sliert kleuters op mini-ski’s. ‘Kan ik u helpen?’
Ik wil zeggen: ‘Ja, graag, met een kraan. Uit de haven. Voor op- en overslag van zware containers.’ In plaats daarvan glimlach ik minzaam, en zeg dat het wel goedkomt. Terwijl ik ondertussen vrees dat ik begin van de avond fanatiek zal moeten zwaaien naar de bestuurder van de pistenbully, omdat ik daar dan nog steeds lig.
Terwijl de sneeuw inmiddels via mijn rug de binnenkant van mijn thermolegging heeft bereikt, skiën de kinderen om mij heen. Hun brood kunnen ze nog nauwelijks zelfstandig smeren, maar soepeltjes met de skietjes bochtjes om mijn gevallen waardigheid glijden, is geen enkel probleem. ‘Gaat het goed, mevrouw?’ Mijn god, kijk mij hier op mijn 57ste sneeuwhappen en zij met de luieruitslag nog op de billen, in rechte lijn zonder een spoor van angst de berg af racen.
Het is een soort vriendelijke sekte deze Nederlandse enclave in Oostenrijk. Een bubbel waarin het volstrekt normaal is om met, weet ik veel hoeveel kilometer per uur een helling af te suizen. Ze tillen hun kinderen tussen hun benen, glijden soepel naar beneden. De ski-outfits van de families lijken zo uit een hedendaagse Peter Stuyvesant-reclame te komen. Het mocht wat kosten die Nikkie- en Goldbergh-jassen, -broeken, -pakken en -mutsen.
Terug in het paskokje, in april, staar ik naar mijn bleke zelfbeeld, en trek en duw ik het badpak nog eens recht. Lijkt mij heerlijk om het hele jaar door skikleding te dragen. Niets zo flatterend als totaal ingepakt. En als je dan valt, lig je tenminste zacht. Met sneeuw in je broek. Vanaf je taille. IJskoud. Dat wel.