‘Parijs of New York?’ appt de vriend die mij graag opzadelt met onmogelijke dilemma’s, zoals: zee of museum? - sneakers of hakken? - lezen of Netflix?

‘Allebei!,’ wil ik hem in eerste instantie laf terug-appen vanuit de Thalys naar Gare du Nord. Want ach, beide steden doen iets met mij. New York is opwindend: de skyline, de mensen die in uptempo wandelen over de Brooklyn Bridge, de grotestadsgeur, de sirenes, de 24/7-hectiek: van die mix en die attitude gaat mijn hart letterlijk sneller kloppen.

Parijs is anders. De statige gevels in vijftig tinten grijs, de brede boulevards, de weemoedig-trage Seine, de rennende obers die de oesters en baba au rhum zwierig op tafel gooien, die hele je ne sais quoi maakt deze stad zo verleidelijk, dat mijn bloed warmer door mijn lichaam lijkt te stromen als ik door haar straten loop. In Parijs bracht ik als achttienjarige mijn eerste echte liefdesnacht door, in het appartementje van-een-vriendin-van-de-ouders-van mijn vriendje. Zo’n piepklein studiootje dat uitkijkt op een binnenplaats, met doorbuigende balken, houten vloer en krakend bed, en zo’n nacht waaraan geen einde lijkt te komen. Totdat je uit het raam kijkt en ziet dat de lucht boven de daken van diepdonkerblauw naar pastelroze is verschoten.

Sindsdien ben ik talloze keren in Parijs geweest. Met geliefden, met vrienden, met collega’s, alleen. Ik ben er gelukkig geweest en ook ongelukkig - ga er niet heen als je liefdesverdriet hebt, want in die stad waarin elk steegje romantiek wasemt, wordt chagrin d’amour alleen maar erger.

Dit weekend was ik er weer, bij dochter Lotje die er haar master doet, de mazzelkont. Het toeval wil dat ze in datzelfde appartementje woont waar ik ooit die liefdesnacht beleefde: de geliefde van toen, háár vader, kocht het van die vriendin van zijn ouders toen zij te oud werd om zich al die uitgesleten trappen op te slepen. Hij verfde de balken wit, legde er een nieuwe vloer in, verving het krappe zitbad voor een ruime inloopdouche. Maar het uitzicht op de huizen en daken aan de overkant van de binnenplaats blijkt nog precies hetzelfde. En ook voor de rest is Parijs comme toujours, in statige grijstinten gehuld, met een onverstoorbare Seine en obers die virtuoos de toetjes op tafel keilen. Vanuit de trein naar huis app ik de vriend van de onmogelijke dilemma’s: ‘Paris, bien sur.’

Deze column van journalist José Rozenbroek is eveneens gepubliceerd in de nieuwste Nouveau, die nu in de winkel ligt.

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.