Tommy Wieringa schrijft elke maand in Nouveau over zijn leven en werk. 

Een man stuurt me een brief. ‘Waar zou de wereld zijn zonder de literatuur?’ vraagt hij zich in de eerste zin af. Hij schrijft me over zijn liefde voor de romankunst, over het veronderstelde belang ervan, hij leest er de ziel van de wereld in. Hij woont ergens ver weg in Lüneburg, een door eeuwenlange zoutwinning verzakte stad in Noord-Duitsland, lees ik op het web, waar Johann Sebastian Bach op school gezeten heeft en in 1875 de eerste voetbalwedstrijd op Duitse bodem werd gespeeld.

Article continues after the ad

Ergens in die stad heeft hij met pijnlijke nauwgezetheid de titelpagina’s uit mijn in het Duits vertaalde romans gesneden en naar me opgestuurd, met de vraag of ik ze wil signeren en terugsturen. Hij heeft een antwoordcoupon bijgevoegd, die ik kan inwisselen bij het postkantoor om de retourzending te frankeren. 

De brief blijft lang op mijn bureau liggen. Er zitten handelingen aan vast, een gang naar een postservicepunt onder andere, of hoe zoiets tegenwoordig heet sinds de postkantoren zijn opgedoekt. Als ik denk aan verdwenen postkantoren en bankfilialen, voel ik me een zanger van de verloren tijd. Mijn dochters weten niet eens wat een postkantoor is, laat staan dat ze weten dat elk dorp eens een bankfiliaal bezat waar je, als je je eerste rekening opende, een bankboekje kreeg en in je latere leven geld kon opnemen zonder je te legitimeren. De mensen daarbinnen verrichtten eerzaam werk, ze wisten nog niet dat ze vervangen zouden worden door geldautomaten en websites.

Nu sta ik dan met een brief voor Duitsland bij een zogenaamd PostPunt in een supermarkt. De jongen achter de balie kijkt naar de antwoordcoupon en zegt: ‘Zoiets heb ik nog nooit gezien,’ en schuift het over de toonbank naar me terug. ‘Het is een antwoordcoupon,’ zeg ik. ‘Om de porto voor antwoord mee te betalen. Het staat erop, kijk maar, in het Frans, Duits, Engels, Arabisch en cyrillisch onder andere, geldig voor alle landen die zijn aangesloten bij de Wereldpostunie.’ De jongen haalt zijn schouders op en roept zijn baas erbij, de filiaalhouder die je op een foto bij de ingang van de supermarkt welkom heet. Hij kijkt met hetzelfde doffe onbegrip naar het waardepapier.

‘Uitgegeven door de Wereldpost-unie,’ zeg ik, ‘een van de oudste nog bestaande internationale organisaties ter wereld, bedoeld om het postverkeer tussen de landen te reguleren. Ze beschouwt het als haar kerntaak om de communicatie tussen de volkeren te bevorderen – dit papier is daarvan een fysieke uitdrukking.’

‘Ja,’ zegt de man, ‘ja.’

Hij belt met een hogere instantie, voert overleg, leest voor wat er op de coupon staat en zegt dan: ‘Oké, ik zal het meneer zeggen’. Hij wendt zich tot mij met het droeve gezicht van iemand die nee gaat verkopen. ‘Het spijt me, maar bij Post.nl hebben ze er ook nog nooit van gehoord.’

En daarmee eindigt de droom van begrip tussen de volkeren en reken ik, verslagen door de tijd, de postzegels voor Duitsland zelf af.