Pittig en persoonlijk interview met de Minister van Defensie.

Afgelopen jaar reed ze - weliswaar met chauffeur - 72.000 kilometer door Nederland, maakte ze 54 buitenlandse vluchten en stapte ze in haar eigen Mini om te gaan kamperen in Frankrijk. Als er één eigenschap is die haar tekent, is het wel haar tomeloze energie.

Article continues after the ad

Ik ken haar van nabij, want minister Ank Bijleveld is mijn schoonzus. Zij zit al heel lang in de politiek, ik in de journalistiek en we hadden elkaar vakmatig al veel vaker kunnen treffen. Ik ben dat altijd uit de weg gegaan. Maar dit verzoek - voor een persoonlijk en mooi gepresenteerd verhaal in Nouveau - was leuk en spontaan. Ik vertelde hoofdredacteur Claudia Straatmans over onze band toen deze de marinierskalender vol appetijtelijk ogende heren bewierookte. Het interviewverzoek dat daarop volgde, vonden Ank en ik beiden zo leuk dat we dachten: dat gaan we doen, mits erbij staat dat we familie zijn. Ank liet mij daarbij, net als andere interviewers, de officiële weg bewandelen (langs haar voorlichters), maar zorgde wel voor een Indisch buffet.

Dat Ank beschikt over een onuitputtelijke dosis energie is voor mij dus geen nieuws, maar haar collega’s keken onlangs of ze vuur zagen branden toen de Nederlandse minister lopend naar het NAVO-hoofdkwartier kwam voor de internationale vergadering. Flatjes aan de voeten, hakken in de tas. In haar ramvolle schema had ze speelruimte ontdekt en dus maakte de dienstauto plaats voor een potje Brusselse sightseeing. Ook vorige zomer was het raak. Na het stranden van het defensievliegtuig op de Azoren was Bijleveld degene die de pechploeg op sleeptouw nam voor een provisorisch ontdekkingsavontuur op het eiland.

Op haar departement, het Haagse prachtpand Plein 4, weten haar medewerkers precies wanneer de minister in huis is: als haar lach of stemgeluid de monumentale gangen vult. Want hoewel ze de één meter zestig nauwelijks haalt, communiceert ze niet zelden met het volume van een bootwerker. Of ze roept naar iemand die twee vertrekken verderop zit.

Ank Bijleveld ontvangt op haar werkkamer. Onder het kolossale portret van Michiel de Ruyter pruttelt een Indisch buffet. En verscholen in de hoek - Dry January blijkt met glans gehaald - staat een flesje wit van Hollandse bodem. Hard werken en genieten en socializen kunnen samengaan, vindt zij. Sterker: oprechte interesse is de beste smeerolie tijdens een gesprek. Of het nu gaat om een bardienst bij de volksfeesten in haar woonplaats Goor of om een ontmoeting met haar voormalige Amerikaanse ambtgenoot James Mattis, dat maakt geen verschil. ‘Ik kom niet met een voorgekauwde tekst. Mensen waarderen het wanneer je je in hen verdiept. En ik vind dat ook echt leuk, let altijd op de sfeer. Mattis stelde het op prijs dat ik wist dat hij een fanatieke lezer is. Passie voor mensen is altijd de basis geweest.’

Wanneer begon dat? 

‘Heel jong. Op mijn 23ste kwam ik in de gemeenteraad van Enschede. Sociale zekerheid was mijn aandachtspunt. Ik fietste onder meer door de wijk met bijstandsmoeders om te kijken waar ze het beste boodschappen konden doen. Daarvoor studeerde ik bestuurskunde. Ik vond het leuk om na te denken over de inrichting van de samenleving en oplossingen te bedenken voor maatschappelijke vraagstukken. Als voorzitter van het studentenpastoraat ben ik destijds nog door de bisschop op het matje geroepen. Moest ik naar Utrecht afreizen. We hadden pastoraal medewerkers aan het werk, die de grenzen van wat mocht, opzochten. Onder hen ook vrouwen, dat werd al helemaal niet op prijs gesteld. Ik heb altijd de opvatting gehad: niet alleen maar praten, ook zelf meedoen. Zo zijn mijn zus, broer en ik thuis opgevoed: neem je verantwoordelijkheid en lever een bijdrage.’

Werd je daarom op je 27ste het jongste Kamerlid van Nederland?

‘Nou, ik had dat niet verwacht. Het CDA stelde mij kandidaat voor de Tweede Kamer en hield mij voor: zo’n vaart zal het niet lopen. Je moet min-stens twee, drie keer worden voorgedragen en pas dan kom je erin. Ik stond op plek 57 op de lijst. Maar Lubbers III haalde 54 zetels. Dat zou nu ondenkbaar zijn. Door benoemingen in het kabinet belandde ik toen toch in de Kamer.’

Wat deed dat met je gezinsleven?

‘Mijn man Riekele en ik hebben wel afspraken gemaakt: ik zou nooit mijn hele privéleven opzijzetten voor de politiek. We wilden graag kinderen. In al die tijd heb ik nooit een ouderavond van hun middelbare school gemist. Overigens: mijn nu 85-jarige moeder, die voor de klas stond, werd nog ontslagen toen ze meldde dat ze ging trouwen. En ik moest me, toen ik zwanger was van mijn oudste dochter Anna, ze is nu 26, in de Kamer ziek melden omdat verlof niet bestond. Samen met Ina Brouwer en Andrée van Es, die ook een kind verwachtten, heb ik actie gevoerd voor een regeling voor vrouwen. Bij de stemming haalde dat voorstel het niet. Dus toen mijn tweede dochter Geertje, nu 23, op komst was, moest ik me weer ziek melden. Pas sinds september 2006 kent de Kamer een regeling. Ongelooflijk laat. Maar ja, dit is natuurlijk een mannenbedrijf.’

Is het anno 2020 nog steeds een mannen-bedrijf?

‘De politiek zeker. Van de vier CDA-ministers ben ik de enige vrouw en twee derde van de Kamer bestaat nog altijd uit mannen. Ik vrees dat het ook nog wel even duurt voordat we een vrouwelijke premier krijgen: we zijn in Nederland niet zo progressief als we denken. Defensie is natuurlijk ook een mannenwereld.’

Heeft het ook voordelen om als vrouw in een mannenwereld te opereren?

‘Er zijn voor- en nadelen. Er is wel degelijk sprake van een 'old boys’ network en je moet handig zijn om daarbinnen te manoeuvreren. Ik kan dat wel. Trek me er ook niets van aan wanneer bepaalde mannen de indruk wekken liever onder elkaar te zijn. Dan blijf ik me in het gesprek mengen.

‘Sommige mannen zijn charmant, andere gewoon horken’

Sommige mannen zijn charmant, andere gewoon horken. Voordeel is dat ze mijn bijdrage gemakkelijker onthouden omdat ik als vrouw opval tussen al die pakken en uniformen. Hoewel: op de groepsfoto van de NAVO zie je me nooit. We moeten per se op alfabetische volgorde poseren en een Belgische collega stond altijd pal voor mijn neus. Ik ben klein, maar hij zal niet bukken of een stapje opzij doen. Nou ja: ik zie de humor er wel van in.’

Vind je het vervelend dat je klein bent?

‘Nee. Soms heeft het een voordeel: ik kan me gemakkelijker verschuilen. Een andere keer sta ik vanwege mijn lengte juist vooraan, zeg ik: “Mag ik even, anders zie ik niks.” Ik heb van mijn moeder geleerd - zij is even lang - dat ik in gezelschap naar voren moet stappen. En mijn dochter Anna, net zo lang, hoorde van een collega: blonde, kleine vrouwen moeten altijd een extra stapje zetten in deze wereld. Ik denk dat dat wel klopt.’

Wat heb je van je dochters geleerd?

‘Geertje is de sportieve en neemt het op voor minderbedeelden. Ze werkt nu bij de KNVB aan ontwikkelingsprojecten met Afrikaanse en Aziatische landen. Mooi hoe zij zich daarvoor inzet. Anna is arts en reiziger. Ze wil de hele wereld zien en vertelt me daarover. Is naar Colombia geweest, naar Tanzania en Peru, waar ze stage liep, Mexico. In haar eentje. Eng? Ik vertrouw haar wel, kijk regelmatig op de reis-app, maar vind het altijd fijn wanneer ze aan het eind van de dag appt waar ze is.

Ik ben niet zo van die verre trips. Ik ga wel naar het buitenland, maar dat is voor werk. Het liefst ben ik in mijn vrije tijd thuis in Goor. Daar vind ik het fijn om niks te doen. Lezen, lekker eten, een beetje zitten te zitten. Ik heb verder zo’n druk leven, ik kan mijn dag wel drie keer vullen. Als we op vakantie gaan, dan is het met de caravan naar Frankrijk. De laatste keer zelfs met tent, luchtbedden en klapstoelen. Heerlijk onder een boom zitten met een glas wijn.’

Je vader was politiek actief, net als je zus. Jammer dat je dochters een ander pad kiezen?

‘Nee, helemaal niet. Ik vind het juist leuk dat zij hun eigen pad kiezen. Anna wilde van kinds af dokter worden en dat is ze nu; ze heeft net haar tweede maand in het Rotterdamse Erasmus Ziekenhuis erop zitten. Heel bijzonder dat het gelukt is. En Geertje is meer van de doe-dingen dan van de vergaderingen.’

Zou je je dochters naar Irak of Afghanistan laten gaan? Net als je manschappen?

‘Mijn neef Wim werkt bij ons. Hij zat in Afghanistan. Ik heb mijn kinderen altijd vrij gelaten, ze moeten leren van hun eigen fouten, zelf verantwoordelijkheid nemen. Anna is zaalarts in het Erasmus, maar heeft het er wel over gehad om militair arts te worden. Zo kijk ik ook naar de organisatie: zou ik mijn eigen kinderen laten gaan?

‘Ik wil de mannen en vrouwen op missie recht kunnen aankijken’

Want bij ons kun je werk doen met gevaar voor eigen leven. Daarom moet ik als minister zorgen voor de beste spullen, de juiste randvoorwaarden. Toen de VN de medische helikopter in Mali niet kon leveren, heb ik de operatie stilgelegd. Ik wil de mannen en vrouwen op missie recht kunnen aankijken, en ook hun partners, hun kinderen en hun ouders. Maar eerlijk: als moeder heb ik mijn kinderen liever in de buurt en ben ik blij dat ze in Rotterdam wonen.’

Je hebt ingewikkelde debatten over bur-gerdoden in Irak ternauwernood door-staan. Hoe kijk je naar die periode?

‘Het frappante is dat dat gebeurde in een tijd waarin ik dacht: het is heel erg goed om transparanter en opener te zijn. Ook over slecht nieuws, dat vergroot het draagvlak voor operaties. Ik was in 2018 in het gebied en sprak met twee jonge luitenants na afloop van hun eerste missie met F16’s boven IS-gebied. Met een geestelijk verzorger hadden ze het erover gehad wat het zou betekenen wanneer ze uit hun toestel zouden moeten springen. Ik dacht: jeetje, ik stuur ze op pad, ze zijn 24, 25. Daar moeten we helder over rapporteren. Er was een OM-onderzoek gaande naar mogelijke burgerslachtoffers van bombardementen in 2015 en daar kwam uit dat er slachtoffers waren, maar dat de piloten hun werk goed hadden gedaan en dat er van iets strafbaars geen sprake was. Ik draag voor die periode ministeriële verantwoordelijkheid, dus ik voer het debat. Zakelijk, voor zover dat kan met zo’n beladen onderwerp. In de media kreeg ik verwijten over de gebloemde jas die ik droeg op de dag van de begrotings-behandeling, waarop - niet gepland – het bombardement op Hawija aan de orde kwam. Ik kan daar niet zoveel mee, maar kennelijk hoort dat er tegenwoordig bij.’

Mensen als Lilianne Ploumen verweten je juist dat je anderen voor de bus gooide… 

‘Ik heb in de Kamer verantwoordelijkheid genomen. Het was een intense periode, die mij niet in de koude kleren is gaan zitten. Wat scheelde, is dat ik veel ervaring heb en daardoor rustig ben gebleven. Of zoals Winston Churchill het zei: ‘Keep calm and carry on’.

Ik sta voor onze mensen en vind dat onze piloten het goed hebben gedaan. We doen het voor de regio, een grotere stabiliteit en een betere toekomst. Dat is onze missie. Maar het is ook lastig: enerzijds wordt er in dergelijke gebieden met gevaar voor eigen leven gewerkt. Anderzijds: het is oorlog en daarbij kunnen ook mensen overlijden. Geen gemakkelijke boodschap om te brengen.’

Je dochter Anna zat tijdens dat precaire debat op de publieke tribune, wat deed dat met je?

‘Ik wist niet dat ze zou komen. Het was eigen initiatief en een verrassing en dat deed me erg goed: fijn, die steun en belangstelling. De keer daarop kon ze niet en toen had ze nicht Wies gebeld om er te gaan zitten. Dat vind ik mooi. Uiteindelijk is het je familie waarop je terugvalt in moeilijke tijden.’

Hoe kom je los van je werk? Wat is ontspanning voor jou?

‘De film 1917 draaide. Ondanks de enorm goede recensies koos ik met mijn dochters toch voor Linda de Mols April, May en June. Drama waar we ook erg om konden lachen. Het moet wel feelgood zijn als tegenwicht voor het werk. Er mag natuurlijk geen voetbal worden gekeken in Vak K, maar ik had er op sommige momenten wel wat voor gegeven om ER of Grey’s Anatomy te zien. Als je daar tijdens de begroting drie dagen zit, heb je alle dossiers wel doorgenomen. Verder hou ik van zwemmen en ben ik elke vrijdagochtend aan het fitnessen met andere bewindslieden in de sportschool op mijn departement.’

Je bent 57. In de mediawereld geldt wat John de Mol betreft een houdbaarheidsdatum. Hoe zit dat in de politiek?

‘Allereerst vind ik het belachelijk wat John de Mol zei over die te oude nieuwslezeressen. Voor de politiek geldt dat niet. Daar telt juist ervaring. Ankie Broekers-Knol is net benoemd tot staatssecretaris, ze is 73. De volksvertegenwoordiging moet ook een afspiegeling zijn van de samenleving. Daarnaast vind ik het interessant en verfrissend om samen te werken met mensen die zo oud zijn als mijn kinderen en die me ook durven tegen te spreken. Andere opvattingen, een nieuwe beleving.’

Hoe ziet de toekomst eruit? ‘

'Ik zou niet meer in de fractie gaan zitten: dat heb ik nu drie termijnen gedaan. Ik zou wel door willen gaan als minister, omdat ik het belangrijk werk vind en omdat ik de organisatie continuïteit gun. Maar ja, in de politiek is niks zeker en ik moet het er ook nog met mijn man Riekele over hebben. Maar al met al denk ik nu: niet slecht gedaan voor een meisje uit de provincie.’

Ank Bijleveld in het kort
Ank Bijleveld-Schouten (1962) groeide op in het Gelderse Wijchen. Haar vader was beroepsmilitair, haar moeder onderwijzeres. Ze studeerde Bestuurskunde in Enschede, waar zij op haar 23ste namens het CDA in de gemeenteraad begon. Haar partij benaderde haar in 1989 voor een plek in de Kamer. Ze werd toen het jongste Kamerlid ooit.

Na drie termijnen vertrok zij, om in 2001 burgemeester te worden in de Hof van Twente. In 2007 keerde zij terug in Den Haag om staatssecretaris van Binnenlandse Zaken te worden in Balkende IV. Daarna ging zij aan de slag als Commissaris van de Koningin in Overijssel, de enige vrouw in dat ambt. Sinds 2017 is zij minister van Defensie in het kabinet Rutte III.

Ze is getrouwd met Riekele Bijleveld (nu raadslid in de Hof van Twente) en ze heeft twee dochters: Anna (26) en Geertje (23). 

Dit interview heeft eerder in de printeditie van Nouveau gestaan (c) Nouveau 2020