Terugblikkend op de lockdown moet Ingeborg toegeven dat het nut had. 

‘Ik dacht dat ik gek werd toen ik Mark Rutte hoorde zeggen dat alle horeca, musea, theaters en bioscopen dichtgingen en dat iedereen die geen vitaal beroep had, zoveel mogelijk thuis moest blijven. Ik ben nooit thuis! Wat moest ik daar, in mijn eentje?

De berichten die binnensijpelden, sloegen elke hoop dat plannen misschien nog wel door konden gaan, de bodem in. “Jammer! Dat etentje houden we nog tegoed. Sterkte schat,” schreef de vriendin met wie ik die avond had afgesproken. “Hey schoonheid,” appte een Tindermatch, die ik over een paar dagen voor het eerst zou ontmoeten, “we moeten blijkbaar nog even geduld hebben. Hopelijk tot over een paar weken.” Wanhopig appte ik terug: “We kunnen toch in het park afspreken? Een wandelingetje maken?” “Nee,” reageerde hij koel, “dat moesten we maar niet doen.”

Article continues after the ad

Ik schaamde me. Onderschatte ik de ernst van de situatie?

Ik belde mijn dochter, die in een studentenhuis in Utrecht woont. “Kom bij mij,” smeekte ik. “Ik word gek alleen. Je hoeft voorlopig toch niet naar college.” 

“Nee mam,” zei ze beslist, “je hebt niet eens een bed voor me. Als ik het hier niet uithou, ga ik naar papa.” Die kwam hard aan. Het was een onverhuld verwijt waar ik weinig tegenin te brengen had. Bij de inrichting van mijn nieuwe onderkomen had ik inderdaad geen rekening gehouden met haar en haar oudere broer. Ik had volledig ingezet op mijn vrijheid. De kinderen hadden hun eigen leven, ik hoefde hun veilige haven niet meer te zijn. Was ik doorgeschoten? Het was toch nooit de bedoeling geweest dat de kinderen zich niet meer welkom bij mij zouden voelen?

Ik belde mijn moeder. “Mam, hoe gaat het? Heb je gezelschap nodig?”

“Nee, alsjeblieft niet!” riep ze uit. “Jij en je wilde leven. Wie weet wat jij onder de leden hebt!”

Oké, ik was dus ook niet welkom bij míjn moeder… Onrustig zat ik de rest van de avond voor de televisie. De ene na de andere expert kwam langs om te vertellen over het gevaar van het virus en de noodzaak van de maatregelen. Ik begon me zorgen te maken. Mijn moeder was dan wel bot, maar niet gek. Hoewel ik voorzichtiger was geweest de afgelopen dagen - ik had het openbaar vervoer gemeden, mijn handen tot barstens toe gewassen, drukke winkels en cafés overgeslagen en geen concerten meer bezocht - had ik zeker niet stilgezeten. Het was niet uitgesloten dat ik besmet was.

Toen ik me uiteindelijk, zonder een hap gegeten te hebben, naar bed sleepte, was ik ervan doordrongen dat ik mijn verantwoordelijkheid moest nemen. Ik moest thuis blijven, al schreeuwde mijn hele zijn om gezelschap, vertier en afleiding…  

Tegelijkertijd klonk er een kritisch stemmetje in mijn hoofd: “Zijn dat je eerste levensbehoeften? Waarom ben je er zo van overtuigd dat je niet een tijdje zonder kunt?”

De volgende ochtend liep ik verdwaasd door mijn appartement. Was dit een plek waar ik het drie weken lang zou kunnen uithouden? Het antwoord was nee. Het was een bende. Hier woonde duidelijk iemand die niet graag thuis was. Hoe ongezellig kon je het voor jezelf maken? Het was stoffig, de planten stonden er zieltogend bij, er hing nauwelijks iets aan de muren, het aanrecht was bezaaid met lege potjes, flessen en vuile vaat, op de eettafel lagen stapels post, kranten en tijdschriften van weken.

Ik sloeg verwoed aan het opruimen en schoonmaken, ondertussen mijn werkmail in de gaten houdend. Op kantoor werd koortsachtig overlegd over de nieuwe situatie. Ik kon weinig anders dan nadere instructies afwachten.

En omdat die er halverwege de dag nog niet waren, waagde ik me aan de bijna ondoorzichtig geworden schuifdeuren naar het balkon. Perfect getimed, want precies op het moment dat ik de laatste waterdruppels weg zeemde, bereikten de eerste zonnestralen de achterkant van het huis. Wauw... ik herkende mijn appartement haast niet meer terug. Wat een fijne en lichte ruimte! Ik begreep ineens weer waarom ik het had gekocht. Tegelijkertijd constateerde ik schuldbewust hoe bedroevend het balkon erbij lag. Dorre bladeren hadden zich in de hoeken opgehoopt, er stonden met vogelpoep besmeurde verhuisdozen, een verroeste fiets, een vieze stoel…

Maar, dacht ik meteen, deze plek heeft wel potentie. Op het zuidwesten gelegen en, mede dankzij de uitbouw van de onderburen, het formaat van een dakterras. Als het weer een beetje meezat, zou ik hier kunnen werken, relaxen en mijn yoga-oefeningen kunnen doen.

Ik pakte mijn laptop en ging op zoek naar inspiratie. Ik bestelde een paar leuke buitenstoelen, een tafeltje en een vrolijk gestreepte hangmat. Vervolgens ging ik naar de bouwmarkt om verf en andere materialen te kopen. Mooi, voorlopig was ik zoet.

Maar ’s avonds op de bank sloeg de paniek weer toe. De hele dag was het me gelukt mezelf bezig te houden, maar nu wist ik me geen raad. Het was zó stil overal. Wat was iedereen aan het doen?! Ik appte die vraag naar mijn vriendinnen. De antwoorden: Netflix, een boek lezen, vroeg naar bed.

“Zullen we videochatten?” stelde ik voor. Maar daar kwam geen reactie op. Nerveus ging ik op zoek naar mijn boeken. Ik wist dat die nog in een paar onuitgepakte verhuisdozen zaten, ergens in de werkkamer – althans, de volgestouwde ruimte die werkkamer moest worden. Ooit.

Ineens stond ik stil. Werkkamer? Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Waar had ik een werkkamer voor nodig? Waarom had ik daar niet meteen een extra slaapkamer van gemaakt? Een tweede project had zich aangediend. Wie weet, misschien viel mijn dochter nog te vermurwen. Die gedachte en het sorteren van mijn boeken brachten mij tot rust. Ik voelde hoe moe ik was en ging op tijd naar bed.

Ik werd wakker gebeld door mijn leidinggevende. Ze vertelde me dat alle projecten waar ik aan werkte, waren opgeschort, maar dat andere projecten nu juist veel actie vereisten. Of ik me beschikbaar wilde houden. “Ja hoor,” zei ik sarcastisch, “ik ben gewoon thuis.” Als een bezetene stortte ik me op mijn privéprojecten. ’s Ochtends de logeerkamer, ’s middags het balkon. Toen ik even zat uit te puffen met een kopje koffie, werd mijn aandacht getrokken door een wonderlijk tafereel in een van de binnentuinen. Een broos dametje was bezig met het opruimen van de uitwerpselen van haar hondje, dat enthousiast om haar heen sprong en blafte.

Ze kreeg mij ook in de gaten.

“Tja,” zei ze, “ik durf alleen nog maar heel vroeg in de ochtend naar buiten. Daarom doe ik het maar zo.”

Het raakte me. Spontaan bood ik aan haar hondje de komende periode uit te laten.

De vrouw keek me dankbaar aan. “Echt? Wil jij dat doen. Wat ontzettend lief!”

Ik kreeg het er helemaal warm van.

Nieuwsgierig bekeek ik de andere tuinen en balkons. Wat was het eigenlijk merkwaardig dat ik helemaal geen idee had wie mijn buren waren. Aan de overkant spotte ik een aantrekkelijke man. Hij zwaaide naar me. Verheugd zwaaide ik terug. Stel je voor, dacht ik gniffelend, dat de man van je dromen al die tijd onder je neus heeft gewoond. Een leuke gedachte, die abrupt werd afgekapt door de knappe vrouw die zich bij hem voegde. Oké.

Met de dag begon ik me kalmer te voelen. Buitenshuis viel er niets te beleven, dus viel er ook niets te missen. Iedereen zat saai thuis. Ik vond het wel gênant dat ik die geruststelling nodig had. Was mijn fear of missing out dan zo groot? Liet ik mijn leven echt zo bepalen door wat anderen deden? En zo ja, wat kon daar dan de oorzaak van zijn?

Tegen de tijd dat Rutte de quarantaineperiode met nog eens drie weken verlengde, had ik lang en breed over al die vragen nagedacht. En inmiddels was het net alsof ze over een andere persoon gingen: mijn vroegere ik, die voortdurend op de vlucht was. Op de vlucht, ja… voor haar eenzaamheid. Maar ik had ontdekt dat die eenzaamheid helemaal niet bestond. Doordat ik in mijn vlucht was gestopt, was ik mijzelf tegengekomen. Ik geef toe: dat viel niet mee in het begin, maar uiteindelijk kostte het me toch verbazingwekkend weinig moeite om het met mezelf uit te houden. Ik vind mezelf eigenlijk best leuk gezelschap!

Die verbondenheid met mezelf werkt door in alles. Met het hondje van de buurvrouw heb ik enorm veel pret. En wanneer ik hem uitlaat, heb ik op elke straathoek leuke en bijzondere gesprekken met andere hondenbezitters. Er is een wereld voor me open gegaan, in mijn eigen buurt! En doordat ik zo lekker in mijn vel zit, heb ik ineens heel andere telefoongesprekken met mijn moeder en mijn kinderen. Toen ik mijn dochter vertelde over de logeerkamer, was ze helemaal geroerd. Ze heeft me beloofd, dat zodra dit allemaal achter de rug is, ze er meteen gebruik van komt maken. En ik zal haar met open armen ontvangen.

Deze Openhartig heeft eerder in de printeditie van Nouveau gestaan.

Elke week het laatste nieuws ontvangen in je mailbox? Het beste van Nouveau.nl, Máxima en cultuur voor leuke vrouwen met stijl. Schrijf je in