Tijdens een burn-out liet Aaltje Moesker-Eelsing zich volledig inpalmen door een ‘geestelijk hulpverlener’. Pas toen ze haar gezin én zichzelf volledig kwijt was, werd ze wakker...  

“Ik was een heel normale, intelligente vrouw voordat ik Sjon ontmoette. Ik droeg kleurrijke kleding en maakte me elke dag mooi op. Totdat ik een burn-out kreeg."

Het ging alleen maar slechter

"Ik werkte op een school en daar was veel ­veranderd. Op een dag kon ik mijn tranen opeens nauwelijks meer verbijten. Even rust en dan is alles weer normaal, dacht ik. Maar het ging alleen maar slechter. Mijn drukke gezin met drie kinderen, slopende zwangerschappen gevolgd door postnatale depressies, een echtgenoot met wie ik niet kon praten... het was me allemaal te veel geworden.

Ik zocht passende hulp, maar vond die niet. En toen ontmoette ik Sjon, een charmante, geestelijk hulpverlener, verbonden aan een officiële kerkgemeenschap bij ons in de buurt. Hij leek zo betrouwbaar, zo oprecht. Ik dacht dat ik steun bij hem zou vinden, dat hij me veel goeds zou brengen. Maar ik had me niet erger kunnen vergissen. 

Ik ben opgegroeid bij een heel dominante vader. Zijn liefde was aan voorwaarden gebonden. Als ik iets fout deed, zweeg hij me weken dood. Mijn moeder stond pal achter hem, altijd. Dat maakte dat ik me erg eenzaam voelde. Mijn vader was tegen het geloof, maar hij stuurde me toch naar de zondagschool, voor mijn algemene ontwikkeling.

Daar hoorde ik over een andere Vader, een vader die wél onvoorwaardelijk van je hield. Die altijd vergaf, wat je ook deed. Dat fascineerde me toen al; dat uurtje zondagschool was het hoogtepunt van de week. Ik denk dat daar de kiem voor mijn gevoeligheid voor het geloof is gelegd."  

In de ban van Sjon

"Ik kreeg een vriend die gereformeerd was. Mijn vader was woedend. Juist daardoor raakte ik vastberaden om met hem te trouwen, terwijl ik diep in mijn hart wel wist dat deze man niet de juiste voor mij was. Hij was een schat, dat zeker, maar ons contact was oppervlakkig.

We kregen een gezin en alles leek goed te gaan. Dat ik in mijn hart nog altijd eenzaam was, en snakte naar veiligheid en echte aandacht, wist niemand.

Met mijn man ging ik naar de kerk. We hoorden bij een jonge gemeente die veel ondernam. Het zingen vond ik leuk en ik zat in het kerkkoor. Maar als de dominee hoogdravend over God sprak, verloor ik me in dagdromen. Het sprak me allemaal niet zo aan.

Sjon, de geestelijke hulpverlener die ik tijdens mijn burn-out ontmoette, ging heel anders met het geloof om. Hij had een stilteruimte in een kerkgebouw, met iconen, wierook, kussens en kaarsen. God was niet iemand ‘daarbuiten,’ zei Sjon. Hij zat in mijzelf!

Door stilte en meditatie kon ik zijn totale liefde en acceptatie vinden. Sjons woorden raakten me enorm. Hij had aandacht voor me, focuste zich in een gesprek totaal op mij. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me gehoord en gezien. Het was verleidelijk om vaak naar hem toe te gaan.

Thuis maakte ik ook een stilteplek, trok me daar een paar keer per dag terug. Ik was steeds meer met God bezig, dacht daar rust bij te vinden. En ik raakte in de ban van Sjon.

Na een stiltesessie nam hij op een keer mijn voeten in zijn schoot en begon hij ze heel zacht te masseren. Ik stond perplex, nooit eerder was iemand zo lief voor mij geweest. Op dat moment was ik definitief verkocht. En ging het fysieke contact verder en verder, zogenaamd in naam van God, want religie en seks waren een heilige combinatie, volgens Sjon."

Geïsoleerd in het bos

"Als ik achteraf naar mezelf kijk, ben ik sprakeloos. Hoe kon het? Ik, een intelligente vrouw die midden in het leven stond, hoe kon ik mij zo laten inpalmen en hersen­spoelen? Maar het kleine beetje ‘ik’ dat er na mijn burn-out nog van mij over was, raakte verloren.

Ik ging blindelings mee in Sjons dromen over het stichten van een kerkelijke eco-commune in een bosrijk gebied in Duitsland. Daar zouden we leven als kluizenaars, zoals de monniken vroeger in kloosters.

Ik begon alvast mijn vrolijke kleding in te ruilen voor lange, grijze gewaden. Mijn hoge hakken en make-up gingen de deur uit, mijn haar liet ik groeien tot een wilde, slordige bos. Tot ontzetting van mijn gezin. Mijn man en ik kregen vreselijke ruzies en groeiden uit elkaar. Ook tussen mijn kinderen en mij kwam afstand.

In die tijd had Sjon nog andere ‘volgelingen’, ­vrouwen zoals ik. Op het moment dat de scheiding tussen mijn man en mij werd uitgesproken en ik zonder mijn kinderen naar Duitsland verhuisde, naar het gebied waar Sjon zijn commune zou beginnen, waren dat er al minder. Maar die zouden wel weer komen, bezwoer Sjon, en wat was hij trots op mij, zijn trouwste volgeling.

En daar zat ik dan, veelal in mijn eentje in het bos. Mijn kinderen zag ik zelden. Af en toe kwamen ze me opzoeken, maar ze voelden zich niet thuis bij de vreemde, onzichtbare vrouw die ik was geworden. Wanneer ze vertrokken, was er ongelofelijk verdriet.

Maar als ik al twijfels over mijn situatie had, drukte ik die de kop in. Ik móést in God en in Sjon blijven geloven, hoe kon ik anders alles dat ik had gedaan – mijn gezin ­verlaten – aan mezelf verantwoorden? Ook toen na twee jaar duidelijk werd dat er niets van Sjons commune terechtkwam, vielen de schellen nog niet van mijn ogen.

Ik verhuisde naar Noord-Nederland en Sjon kwam met zijn vrouw naast me wonen. Ja, hij was al die tijd gewoon getrouwd geweest, maar Sjons vrouw kon ermee leven dat hij ook met mij seks had. Dat hoorde immers allemaal bij ‘zijn goddelijk plan’.

Hun woning werd door Sjon veranderd in een stiltehuis, een heilige plek vol iconen. We leefden met z’n drieën in mijn huis, met vaste regels, de gordijnen altijd dicht, afgesloten van de rest van de wereld. Ik had slechts een karig gemeubileerde kamer voor mezelf.

Met Sjon had ik een vreemde band. Soms vleide hij me, zei dat ik de enige was die hem begreep. Andere keren werd hij zomaar woedend. Omdat ik iets te lang in de badkamer was geweest of even met iemand op straat had gepraat, bijvoorbeeld. Dan zweeg hij me dood, net als mijn vader vroeger. Het was allemaal één grote echo van het verleden.” 

Mishandeling en smeekbedes

“Achteraf snap ik echt niet meer hoe ik zo heb kunnen leven. Dat ik dit zolang heb toegestaan. Maar ik was zo beïnvloed, totaal in zijn macht. Na twaalf jaar vond ik eindelijk de kracht om mij los te maken.

Sjon werd agressiever, mishandelde mij als ik iets deed wat niet naar zijn zin was. Op een dag ben ik via de huisarts weggegaan. Sjon heeft me nog opgezocht in het vrouwen­opvanghuis. Huilend smeekte hij me terug te komen. Ik weigerde, al miste ik hem ­verschrikkelijk, raar genoeg. Ik was gewoon verslaafd aan hem.

Een aantal jaar geleden heb ik aangifte gedaan tegen Sjon. De rechercheurs luisterden aandachtig, leefden met me mee, maar ik had geen poot om op te staan. ‘Ze wilde het zelf,’ zei Sjon, die kort werd opgepakt. Dat hij misbruik van mij maakte toen ik op mijn allerzwakst was, toen ik voor hulp bij hem kwam, daar kan ik niets tegen beginnen.

Psychologen, ‘normale’ hulp­verleners, moeten zich houden aan gedragscodes, kunnen bestraft worden als ze hun boekje te buiten gaan. Maar uit naam van het geloof is er alle ruimte; er bestaat immers vrijheid van godsdienst en er is geen enkel toezicht... Terwijl je compleet gehersenspoeld kunt worden. Zo gevaarlijk!

Ik heb mijn verhaal lang verborgen ­gehouden, maar ik heb er nu een boek over geschreven. Ik hoop dat ik er anderen mee kan helpen. Anderen die zich ook schuldig voelen over dingen die hen zijn overkomen.

Ik heb nu vrede met wat er is gebeurd; het verleden valt nu eenmaal niet te herschrijven. Wat ik wel heel erg vind, is dat ik mijn kinderen heb verspeeld. Maar ik begrijp het. Er zit een grens aan het inlevings­vermogen van kinderen.

Sinds kort is er wel weer heel voorzichtig contact. Ik hoop dat dit meer wordt, maar ik geef ze alle tijd die ze nodig hebben.

Of Sjon nog leeft? Geen idee. Het interesseert me ook niet. Een enkele keer stel ik me voor dat ik hem tegenkom. En dat ik dan denk: heb ik voor die man nu alles opzij­ gezet? Ik hoop alleen dat hij niet meer slachtoffers heeft gemaakt. Dat hij míjn leven zo veel jaren heeft beheerst, is erg genoeg.’

‘Als geloof een gevangenis wordt, dan...’ 
Van dogmatisch geloven naar zelfstandig denken – Aaltje Moesker-Eelsing, 2015, te bestellen via: www.alsgeloofeengevangeniswordt.blogspot.nl 
 

Annemarie(46) had nooit gedacht dat haar dochter in de gevangenis zou belanden en al helemaal niet dat ze vervolgens zelfs de steun van haar vriendinnen kon vergeten... 

‘In het dorp waar we wonen, gaat het als een lopend vuurtje dat Denise in de gevangenis zit. Op straat kijken mensen anders naar me en ik zie hen tegen elkaar fluisteren: “Kijk, daar loopt ze.”

Achter mijn rug om bekritiseren ze ook mijn opvoedingsstijl. Ik zou niet streng genoeg zijn geweest. Soms twijfel ik aan mezelf. Heb ik inderdaad steken laten vallen?

Mijn man overleed een jaar na de geboorte van onze dochter. De opvoeding van Denise kwam daardoor volledig op mij neer. Ik combineer een bijna-fulltime baan in een delicatessenwinkel met de zorg voor haar. Maar eigenlijk ging dat al die tijd best goed.

Haar naïviteit baarde me wel eens zorgen

Ze zat op hockey en had een verzorgpony waarmee ze veel tijd doorbracht. Een lief en gezellig kind. Wel merkte ik al eerder dat ze erg goedgelovig is. Ze kan bijvoorbeeld niet altijd goed inschatten of iemand  een grapje maakt of niet. Die naïviteit baarde me weleens zorgen, omdat het haar kwetsbaar maakt.

Maar door mijn drukke baan had ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan.

Social media

Zo'n jaar geleden, Denise was net zestien geworden, ging het me irriteren dat ze continu met social media in de weer was. Als ik uit mijn werk kwam, trof ik haar steevast aan op haar kamer met haar mobiel in haar hand. Zelfs ’s avonds in bed kon ze geen afscheid nemen van haar telefoon. 

Op een avond tijdens het eten bracht ik haar gedrag ter sprake. Toen biechtte ze me op: “Mam, ik heb een leuke jongen leren kennen via Instagram.”

Naar onderbuikgevoel

Het bleek een jongen van een andere school, maar hij was pas zeventien en ik zag er in eerste instantie niet veel kwaads in. Toch kreeg ik, toen ze me een paar weken later voorstelde aan deze Michael, een naar onderbuikgevoel. En naarmate de dag vorderde, werd mijn gevoel sterker.

Hij deed overdreven vriendelijk tegen mij, terwijl ik hoorde dat hij haar, boven op haar kamer, commandeerde. Toen hij weg was, begon ik erover. Maar Denise werd boos: hij was juist geweldig. Ik wist dat aandringen een averechts effect zou hebben, dus liet ik het maar op z’n beloop.

Totdat ze op een gegeven moment tussen neus en lippen door vertelde dat hij een paar keer in aanraking was geweest met de politie, wegens diefstal. Ik werd ongerust, zei meteen dat ze moest stoppen met de relatie. Maar ze was te verliefd om te gehoorzamen.

Een paar maanden later vertelde ze dat een jongen uit haar klas gek op haar was. Hij vond zichzelf een veel betere partij voor haar dan Michael en dat liet hij haar nadrukkelijk merken. Zij vond het wel vermakelijk, maar toen Michael het hoorde, werd hij woest.

Ik raakte volledig in shock

Het weekend daarop ging ik naar een vriend buiten de stad. Hij had gevoetbald en we liepen net van het veld naar de kantine, toen mijn telefoon ging. Het bleek mijn beste vriendin te zijn, die me vertelde: “Je dochter is net door politieagenten meegenomen in een busje. Bel even de politie om te horen wat er aan de hand is.”

Maar wat er precies gebeurd was, hoorde ik pas in de rechtbank. Ik raakte volledig in shock toen ik het mijn dochter aan de rechter hoorde vertellen.

Michael had de jongen die achter zíjn vriendin aanzat een lesje willen leren. Hij had een gruwelijk plan bedacht, dat ze samen zouden uitvoeren.

Denise vroeg de jongen, via WhatsApp, naar haar toe te komen. Ze wachtte hem op bij een bushalte in ons dorp. Toen hij uitstapte, kwam Michael vanachter een geparkeerde auto tevoorschijn met een doek voor zijn mond en neus.

Hij greep de jongen met een nekklem vast, dreigde met een mes en eiste zijn portemonnee. Toen hij die gekregen had, stak hij de jongen nog eens keihard in z'n bovenbeen en rende vervolgens weg.

Toen de ambulance en de politie arri­veerden, loog Denise, zoals ze met haar vriendje had afgesproken, tegen de agenten dat ze de overvaller niet kende. 

Een halfjaar detentie

Een halfjaar detentie in een jeugdgevangenis legde de rechter mijn dochter op. De straf was zo hoog, omdat ze het krankzinnige plan samen hadden beraamd en uitgevoerd. Mijn dochter werd gezien als medepleger van straatroof met geweld.

Nog voel ik de woede die me overviel. Gericht op Michael. Hij had mijn wat naïeve, maar beschaafde meisje meegesleurd in de drek. Volledig van de kaart was ik.

Nadat ze gearresteerd was, heb ik twee weken niet geslapen, omdat ik vol adrenaline zat. Flarden van wat er gebeurd was, bleven maar door mijn hoofd schieten. Werken ging ook niet meer; ik moest me ziek melden.

Dit is een echte gevangenis

De eerste keer dat ik mijn dochter bezocht in de gevangenis herinner ik me nog goed. Na een treinreis van tweeënhalf uur liep ik over het bospad in de richting van de jeugdgevangenis.

In de verte zag ik een groot gebouw opdoemen. Het leek op een villa met een mooie tuin eromheen. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik de hoge hekken, overal beveiligd met schrikdraad. “Dit is een echte gevangenis,” schoot het door me heen, alsof het nu pas echt tot me doordrong. “En hier zit mijn kind nu.”

Binnen moet je eerst alles afgeven: sleutels, telefoon, riem. Dan ga je naar de wachtruimte, waar ook de andere mensen zitten die een gedetineerde komen bezoeken.

Ik ging zitten, keek rond en liet mijn oog even rusten op een vrouw met een korte broek en een vaal shirt. Onze ogen kruisten elkaar kort toen ze me boos toeschreeuwde: “Waarom kijk je naar me?” Ik schrok. Het was een totaal andere wereld waarin ik terecht ben gekomen. Een wereld waar je echt niet in wilt zitten.

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen

Tussen twee bewakers in liepen we naar de kantine. Daar zat Denise te wachten aan een tafeltje. “Wil je koffie mam?” vroeg ze, terwijl ze opstond om naar de koffie-­automaat te lopen. Ze zette twee plastic bekertjes op de tafel voor ons neer en kwam naast me zitten. Zwijgend zaten we even naast elkaar.

Toen zei ze: “Niet meteen kijken, maar dat meisje daar verderop links van je, heeft haar vader en haar broer vermoord.” Vanuit mijn ooghoeken zag ik een knap meisje met donkere krullen zitten. Ook zag ik een meisje met haar armen vol snijwonden. Het was behoorlijk schokkend, allemaal. 

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen: “Denise, waarom heb je dit gedaan? Waarom?” Ik vertelde dat haar oma ook enorm geschokt was. “Ik weet het niet mama, maar ik was bang. Bang voor wat Michael mij zou aandoen als ik niet meedeed.”

Na een uur zei een van de medewerkers met een zware, harde stem: “Het bezoekuur is afgelopen.” Denise stond op, omhelsde me en zei huilend: “Mam, ik hou onwijs veel van jou. En het spijt me wat ik gedaan heb.”

Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer

Ik weet dat ze het meent, maar de situatie heeft onze sociale positie in het dorp enorm aangetast. Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer. Ik kan met hen niet praten over de situatie, omdat ik me schaam.

Hun afkeurende houding, hoe ze naar me kijken als ik ze tegenkom, versterkt dat gevoel. Maar er zijn ook mensen die mij enorm steunen. Mijn moeder, mijn beste vriendin, mijn collega’s. Met hen is de band juist versterkt.

Dat is een voordeel, als je het zo mag noemen, van deze situatie: je merkt wel feilloos wie je echte vrienden zijn.’

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Anne (54) verloor haar dochter en zocht verdoving in de alcohol. Vier jaar verder lijkt het onmogelijk dat ze drank ooit nog opgeeft.

‘Twee weken geleden stond ik om half tien in de avondwinkel. Met een fles witte wijn in mijn handen. Ineens dook er een buurvrouw naast me op. “Feestje?” vroeg ze met een glimlach. Ik smoesde iets over onverwacht bezoek en dat ik niets in huis had.

In de auto kwamen de tranen

Voor de vorm greep ik nog naar een zak nootjes. Daarna draaide ik me gehaast om, bang dat ze aan mijn gezicht zou aflezen dat ik loog. Of dat ze zou ruiken dat ik al een aantal glazen wijn achter de kiezen had. 

Of ik haar een lift naar huis kon geven: ik hoorde heus nog wel dat ze dat riep. Maar ik hield me van de domme. Dat ik zelf de auto was ingestapt met drank op was al erg genoeg, al was het maar een paar straten rijden. Maar aangeschoten en wel een passagier meenemen? Geen denken aan.

In de auto kwamen de tranen; ik besefte weer eens goed hoe dom ik bezig was en ik schaamde me zo. Thuis bleek er maar een remedie: de fles opentrekken en een glas inschenken. En vervolgens doordrinken totdat ik de schaamte verdrongen had.

Totdat ik haast niets meer voelde en zonder gedachten in bed kon kruipen.

Tot vier jaar geleden was ik een matige drinker

In mijn studententijd ben ik weleens dronken geweest, maar toen ik trouwde, kwam dat allang niet meer voor. Toen ik kinderen kreeg, ben ik vanzelfsprekend lange periodes gestopt met alcohol en dat kostte me geen enkele moeite.

Mijn man was wel een behoorlijke innemer. In de eerste tien jaar dat we samen waren, stoorde me dat niet, toen werd hij nog gezellig van drank.

Later, toen het met ons huwelijk al bergafwaarts ging, begon hij een kwade dronk te krijgen. Dan begon hij te schreeuwen en te schelden en was hij niet meer voor rede vatbaar.

Ultimatum

Het liep zo uit de hand dat ik hem uiteindelijk een ultimatum stelde: als hij zou stoppen met drank, wilde ik nog wel relatietherapie proberen. Als hij het niet voor mij over had, was het maar beter dat hij vertrok. We zijn gescheiden.

Later hoorde ik dat hij een nieuwe vriendin had en voor haar wel bereid was, zich te laten behandelen. Dat deed pijn. Ik vond het pittig om er alleen voor te staan met mijn kinderen. Vooral mijn zoon baarde me grote zorgen. Hij is hoogbegaafd en had het op de middelbare school niet gemakkelijk.

Hechte band

Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn dochter, die al in de twintig was en met wie ik een hechte band had. Ondanks dat ze het huis al uit was, hadden we dagelijks contact en kwam ze vaak bij me langs.

Op een gegeven moment stonden we zelfs allebei op Tinder. We zaten samen te swipen, bekeken elkaars matches en vertelden elkaar over onze dates.

Op een zonnige zaterdag ging ze naar het strand met een jongen die ze via deze datingapp had ontmoet. Op de terugweg raakten ze betrokken bij een frontale botsing.

Ik bad onophoudelijk

Vier dagen lang heb ik aan het bed van mijn dochter gewaakt, dagen waarin ik amper sliep en waarin ik voor het eerst sinds mijn vroege jeugd weer bad, onophoudelijk.

Een week later stonden we bij haar graf. Mijn zoon en ik, mijn ex en zijn nieuwe gezin. Al onze familie en vrienden. En de vrienden van mijn dochter, jong en springlevend, zoals zij dat pas ook nog was geweest.

Ik leefde in een waas. Ik had voortdurend het gevoel dat ik straks weer wakker zou worden. Dan zou alles weer gewoon zijn. Dan zou mijn dochter nog leven. Dan zouden we weer lachen, praten, shoppen, swipen en koken.

Durfde niet te gaan slapen

Maar dat moment van wakker worden uit die afschuwelijke droom kwam niet. ’s Avonds durfde ik haast niet te gaan slapen. Elke ochtend, als de waarheid weer tot mij doordrong, deed dat zoveel pijn dat ik dacht dat ik het niet zou overleven.

Dat korte moment van onwetendheid, totdat de waarheid erin hakte, mijn hart stilstond alsof ik het nieuws voor het eerst hoorde: het was te erg. Maar hele nachten opblijven was ook geen optie. Het enige waardoor ik kon ontspannen, waren een paar glazen wijn.

Met elke slok nam het gespook in mijn hoofd af

Mijn gedachten werden trager, stroperig, tot ik, doodmoe, indutte. De kater de volgende dag vond ik ook niet erg; ook die verdoofde mijn hartzeer enigszins. 

Ik ben in die tijd bij mijn huisarts geweest. Die schreef me kalmeringspillen voor. Maar niet te veel, niet te vaak, waarschuwde hij. ‘Voordat je het weet, ben je verslaafd. Dat moeten we niet hebben.’ Ik vind het een misser dat hij niet beter naar mij keek.

De drang om mezelf te verdoven, was zo groot dat ik dat ook zonder zijn hulp wel voor elkaar kreeg. Zo werd alcohol mijn beste vriend. Dat was immers overal voorhanden, elke supermarkt staat er vol mee.

Naïef

Ik lette wel op dat mijn zoon er niets van meekreeg. Ik wilde niet dat hij zich zorgen om mij zou maken. En dat was ook nergens voor nodig, dacht ik.

Ik had dit nu nodig om de eerste tijd door te komen. Maar ik was geen alcoholist, dat had ik mijn leven lang al bewezen, als matige drinker. Dan zou ik heus niet zomaar verslaafd raken, daar moet je toch een genetische aanleg voor hebben? 

Wat een naïeve gedachte. Als je maar stug doordrinkt, komt het zo in je systeem; wordt het zo’n gewoonte, dat je niet meer zonder kunt. Inmiddels is het vier jaar geleden dat mijn dochter overleed en hoewel ik haar nog dagelijks mis, zijn er momenten dat ik weer kan lachen.

Ik weet dat niet alles verloren is. Mijn met zoon gaat het heel goed. Hij heeft een eigen bedrijf opgestart waarmee hij succesvol is. Ik heb een fijne baan, lieve vriendinnen en door wat er met onze dochter is gebeurd, zijn mijn ex en ik weer naar elkaar toegegroeid.

Niet als partners, wel als vrienden. Ik kan alles met hem delen. Bijna alles.

Ik drink nog steeds veel te veel

Want wat niemand, ook hij en mijn zoon niet, weet, is dat ik nog altijd veel drink. Te veel, veel te veel. Het lukt me om dat voor iedereen te verbergen, omdat ik alleen drink als ik thuis ben. In mijn eentje.

In gezelschap neem ik nooit meer dan één drankje, dan kan ik me heel goed inhouden. Ik taal er ook niet naar. Op die momenten ben ik graag helder, zodat ik weet wat ik doe en wat ik zeg. Maar zodra ik alleen ben, ’s avonds, dan lonkt de wijn.

Als ik thuiskom, gaat meestal binnen tien minuten de eerste fles open. Ik probeer het daar bij te houden, maar het gebeurt regelmatig dat ik er nog eentje ontkurk. Want pas dan komt de verdoving, die ik zo prettig ben gaan vinden.

Dan komt de roes waarin ik mij kan onderdompelen. Die mij ontspant en tot mezelf brengt. Daarom zorg ik ervoor dat ik tenminste drie of vier avonden thuis ben. Zodat ik me in mijn eigen wereld kan terugtrekken. Ik zorg er wel voor dat ik op tijd mijn bed opzoek. Ik wil niet dat mijn baan eronder lijdt.

Ik zag het als iets dat ik verdiende

Of mijn drankgebruik daadwerkelijk geen negatieve invloed heeft, betwijfel ik: in de ochtend voel ik me zelden fit, terwijl ik vroeger toch een ochtendmens was. Maar in de loop van de dag ga ik me altijd beter voelen en daardoor verdwijnen telkens weer de voornemens om het niet meer zo bont te maken.

Lang heb ik de ernst er ook niet van ingezien. Ik zag het als troost, als iets wat ik verdiende. 

Hoe erg het was, ontdekte ik pas toen ik vorig jaar weer een relatie kreeg. De eerste tijd dronk ik minder, daarna kwam de trek terug. Wanneer hij het hele weekend bij me was, stuurde ik hem op zondagavond vaak naar huis. Om een fles wijn open te kunnen trekken.

Ik ben fout bezig, zelfdestructief

Ik was continu bezig met verbergen dat ik dronk. Ik forceerde weleens een ruzie om alleen te zijn. Uiteindelijk heb ik het uitgemaakt. Dat was simpeler dan steeds maar liegen. Toen besefte ik wel: ik ben fout bezig. Zelfdestructief, ook dat.

Als ik in de auto stap naar de avondwinkel, weet ik ook heel goed hoe verkeerd het is. Ik heb me na die pijnlijke ontmoeting met de buurvrouw voorgenomen om dat nooit meer te doen; dan pak ik de fiets maar.

Veel beter zou ik natuurlijk kunnen besluiten om op te houden met deze verschrikkelijke gewoonte.

Ik heb zelfs iemand in de buurt die mij heel goed zou kunnen helpen: mijn ex. Maar vooralsnog is de schaamte te groot om open kaart met hem te spelen.’