Vier jaar geleden kreeg de man van JokE (59) prostaatkanker. Hij genas, maar veranderde totaal en wilde geen seks meer. Joke mist haar oude Bert enorm. Daarom heeft ze in het geheim een minnaar. 

"Bert en ik hebben altijd een prima huwelijk gehad. Natuurlijk botsten we ook wel, zoals elk stel. Als je bijna veertig jaar samen bent, sta je weleens tegen elkaar te schreeuwen. Maar ik heb er nooit spijt van gehad dat ik met hem getrouwd ben. Hij is het, mijn grote liefde. Sinds ik hem ontmoet had, op een verjaardag van een vriendin, was ik weg van zijn vrolijke, blauwe ogen, zijn lange gestalte en zijn zelfverzekerde uitstraling.

More content below the advertising

Vrijen tot we oudjes waren

Ik was nog even bang dat hij het op mijn vriendin had voorzien. Maar ook voor hem was het liefde op het eerste gezicht. Hij was de eerste man met wie ik het bed deelde. In het begin was dat on­wennig, voor hem was het eveneens nieuw. Maar al snel kregen we de smaak te pakken. Er kwamen drie kinderen uit voort. Tot vier jaar geleden hadden we een goed seksleven. Ik hoopte dat we zouden vrijen tot we oudjes waren. Misschien wat minder vurig, maar nog altijd teder en intiem.

Maar er is iets gebeurd waardoor Bert me nu al vier jaar niet meer heeft aangeraakt. Er kan haast zelfs geen knuffel meer vanaf. En dat doet ontzettend veel pijn.Terwijl ik toch vooral blij zou moeten zijn dat hij er nog is. Vier jaar geleden werd er prostaatkanker bij Bert vastgesteld. Puur bij toeval. In een tijdschrift las ik dat het verstandig is als mannen boven de vijftig zo nu en dan het PSA-gehalte in hun bloed laten meten. Dat zoiets bestond, wist ik niet eens – en dat vond en vind ik raar. Je hoort veel over borstkanker, over de risico’s daarop en over preventieve onderzoeken.

Prostaatkanker daarentegen lijkt wel een ondergeschoven kindje. Terwijl het relatief vaak voorkomt en ik het wel van de daken wil schreeuwen: mannen, laat je contro­leren! Als ze er in Berts geval eerder bij waren geweest, was alles misschien anders verlopen. Hoewel de kanker niet was uitgezaaid, was zijn situatie zorgelijk. Hij zou geopereerd moeten worden en hormoon­therapie krijgen.

Bert en ik kregen het nieuws samen, hand in hand zaten we tegenover de arts. Ik voelde hoe klam zijn hand was. Bert is altijd bang voor artsen geweest. Ook kampte hij met hypochondrie, hij kon vaak liggen tobben over zijn gezondheid. Nu kwam zijn ergste nachtmerrie uit. In de auto hebben we in elkaars armen zitten huilen. Hoewel de prognoses niet per se slecht waren, waren we zó bang. Voor Bert probeerde ik rustig te blijven, het ging tenslotte om zíjn leven. Maar voor mij voelde het alsof ook mijn leven op het spel stond. Want zonder Bert zag ik op dat moment geen toekomst meer. 

‘Er kan zelfs geen knuffel meer vanaf’

Pas dagen later vonden we moed om het aan onze kinderen te vertellen. Een intens verdrietige avond. Daarna maakten we ons op voor het hele proces. Van seks kwam het in die periode niet, dat was veel te beladen. Maar we vonden troost in elkaars armen, en sliepen, wanhopig en bang, dichter tegen elkaar aan dan ooit. Toen nog wel. 

De periode van de operaties en de behandelingen verliep redelijk voorspoedig. We kregen veel steun van onze kinderen en onze omgeving. En doordat de artsen positief waren, hoopvol, voelde ik mijn kracht terugkomen. Bert en ik hebben tijdens ons huwelijk meer moeilijke periodes gehad. We hebben een dochtertje verloren; ze overleed drie dagen na haar geboorte. De oorzaak is nooit gevonden. Hoe verschrikkelijk dat ook was, uiteindelijk heeft het de band tussen Bert en mij versterkt. Ik begon te hopen dat we ook door deze zwarte periode zouden komen, en dat dat ons opnieuw dichter bij elkaar zou brengen. 

Incontinentie

Maar terwijl ik mijn kracht terugvond, bleef Bert zich zorgen maken. De incontinentie waar hij mee kampte, vond hij verschrikkelijk. Vermoedelijk zou het tijdelijk zijn, maar hij praatte zichzelf de put in dat het vast nooit meer goed kwam. Gelukkig had hij het fout. Na een tijdje konden de vernederende ‘luiers’, zoals hij de materialen noemde, de deur uit. Maar de impotentie, eveneens een zogenaamd tijdelijk gevolg van alle behandelingen, bleef. Althans, dat zei Bert als ik ernaar vroeg.

Toen al begon hij mij fysiek op afstand te houden. Wanneer ik voorstelde dat we zouden proberen te vrijen, gewoon voorzichtig kijken of het zou lukken, weerde hij me af. Ik vermoed dat hij zich schaamde en faalangst had. Maar dat heeft hij nooit expliciet uitgesproken. Toen een arts er tijdens een gesprek naar informeerde, praatte hij eroverheen. Zei hij dat het niet zo belangrijk was. En uitleg over medicatie of injecties: daar wilde hij niet eens naar luisteren. Vermoedelijk was hij als hypochonder veel te bang voor bijverschijnselen en aan naalden had hij een gruwelijke hekel. 

Ik vond zijn houding moeilijk. Het ging ons immers allebei aan, seks. Het deed me pijn dat het hem kennelijk niets – of in elk geval niet genoeg – kon schelen dat we niet meer vreeën. En dat hij er niet bij stil wilde staan hoe dat voor mij was. Bovendien was het altijd zo intiem geweest. Na een fijne vrijpartij hadden we ons beiden telkens weer extra met elkaar verbonden gevoeld. Dat was nu weg, compleet verdwenen. En niet alleen dat. Bert leek bang te worden voor elk fysiek contact met mij. In bed sliep hij op zijn eigen helft. Wanneer ik tegen hem aan kroop, draaide hij zich van mij af. Ter begroeting kreeg ik nog wel een zoen op mijn mond, maar tegen elkaar aan zitten op de bank wilde hij ook niet meer.

De warme man die ik altijd gekend had, verkilde steeds meer. En hij weigerde pertinent om daarover te praten. Wanneer ik ernaar vroeg, zei hij alleen: ‘Laat me nou toch, ik trek wel weer bij.’ En: ‘Je zet me te veel onder druk, dat werkt averechts, snap je dat niet?’ Maar toen ik er inderdaad het zwijgen maar toe deed, veranderde er niets. Weken werden maanden, maanden werden jaren. Vier jaar, uiteindelijk. 

Vier jaar zonder echte intimiteit of seks. Zonder openhartige gesprekken daarover. Het maakt me intens eenzaam. Ik ben blij dat Bert nog leeft, natuurlijk. Maar de man met wie ik ooit getrouwd ben, die is er niet meer. Onze band is veranderd. We gaan nog altijd vol genegenheid met elkaar om. In woorden, in gebaren. Maar een echt leven als geliefden, met zo nu een dan een arm om je heen, of hand in hand lopen, dat is er niet meer bij. Na al die jaren is het onderwerp onbespreekbaar geworden. Heel soms maak ik er een toespeling op. Dan doet Bert alsof zijn neus bloedt. Ook andere confrontaties met intimiteit of seks – zoals een erotische scène op tv – gaat hij uit de weg door net op dat moment koffie te maken, of verder te zappen. 

Het bleef niet bij koffie drinken

Ik mis de oude Bert, het liefdevolle contact dat we vroeger hadden en de seks die in een huwelijk hoort. Jarenlang heb ik geprobeerd om mij erbij neer te leggen. Want bij hem weg, dat zou ik ondanks alles nooit doen. We hebben voor elkaar gekozen, in goede en in slechte tijden. Maar ik bleef wel iets missen. En toen ik vorig jaar bij een cursus Italiaans een gescheiden man leerde kennen met wie ik weleens koffie dronk, is dat uiteindelijk niet bij koffie drinken gebleven.

Op een middag vertelde hij over de laatste jaren van zijn huwelijk. Sinds de overgang verdroeg zijn vrouw hem niet meer om zich heen. Hij moest zelfs op een andere kamer slapen. Er klonk veel eenzaamheid in zijn woorden en ik moest vechten tegen mijn tranen. Uiteindelijk heb ik hem ook mijn verhaal verteld. En van het een is het ander gekomen. De cursus is afgelopen, maar we zien elkaar nog steeds. Een, twee keer per maand. Verliefd ben ik niet, en ik zie absoluut geen toekomst met deze man. Maar het is zó fijn om weer aangeraakt te worden. Huid op huid-contact. Dat laat je voelen dat je leeft.

Soms, als ik na zo’n ontmoeting weer ’s avonds met Bert op de bank zit, vraag ik me af waar de tijd gebleven is dat hij alles aan mij af kon lezen. Vreemdgaan: het kwam in het verleden niet in mij op. Ik heb er sowieso nooit behoefte aan gehad, ik had meer dan genoeg aan Bert. Maar wij waren ook zo hecht, dat ik zeker wist dat hij het meteen aan mijn gezicht zou aflezen. Nu bladert hij door een tijdschrift, zapt hij langs de tv-kanalen en lijkt hij mij amper op te merken. Laat staan dat hij voelt dat ik mijn lichaam die dag aan een ander heb gegeven. 

Soms voel ik de behoefte om kwaad te worden. Om weer eens tegen hem te schreeuwen, zoals we vroeger deden. Maar grote ruzies legden we in bed altijd weer bij; nu dat er niet meer in zit, gaan we voorzichtiger met elkaar om. Geen dalen meer, maar ook geen pieken. Dat dat allemaal het gevolg kon zijn van zijn ziekte, had ik nooit kunnen bedenken. Maar ik weet dat ik niet de enige vrouw ben die zo eenzaam is. Er zijn meer mannen die in een afstandelijke, gesloten echtgenoot veranderen door prostaatkanker. En daarom wil ik nogmaals benadrukken: laat je controleren en zorg ervoor dat je er vroeg bij bent. Dan is dit allemaal te voorkomen.”

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.