Vier jaar geleden kreeg de man van JokE (59) prostaatkanker. Hij genas, maar veranderde totaal en wilde geen seks meer. Joke mist haar oude Bert enorm. Daarom heeft ze in het geheim een minnaar. 

"Bert en ik hebben altijd een prima huwelijk gehad. Natuurlijk botsten we ook wel, zoals elk stel. Als je bijna veertig jaar samen bent, sta je weleens tegen elkaar te schreeuwen. Maar ik heb er nooit spijt van gehad dat ik met hem getrouwd ben. Hij is het, mijn grote liefde. Sinds ik hem ontmoet had, op een verjaardag van een vriendin, was ik weg van zijn vrolijke, blauwe ogen, zijn lange gestalte en zijn zelfverzekerde uitstraling.

Vrijen tot we oudjes waren

Ik was nog even bang dat hij het op mijn vriendin had voorzien. Maar ook voor hem was het liefde op het eerste gezicht. Hij was de eerste man met wie ik het bed deelde. In het begin was dat on­wennig, voor hem was het eveneens nieuw. Maar al snel kregen we de smaak te pakken. Er kwamen drie kinderen uit voort. Tot vier jaar geleden hadden we een goed seksleven. Ik hoopte dat we zouden vrijen tot we oudjes waren. Misschien wat minder vurig, maar nog altijd teder en intiem.

Maar er is iets gebeurd waardoor Bert me nu al vier jaar niet meer heeft aangeraakt. Er kan haast zelfs geen knuffel meer vanaf. En dat doet ontzettend veel pijn.Terwijl ik toch vooral blij zou moeten zijn dat hij er nog is. Vier jaar geleden werd er prostaatkanker bij Bert vastgesteld. Puur bij toeval. In een tijdschrift las ik dat het verstandig is als mannen boven de vijftig zo nu en dan het PSA-gehalte in hun bloed laten meten. Dat zoiets bestond, wist ik niet eens – en dat vond en vind ik raar. Je hoort veel over borstkanker, over de risico’s daarop en over preventieve onderzoeken.

Prostaatkanker daarentegen lijkt wel een ondergeschoven kindje. Terwijl het relatief vaak voorkomt en ik het wel van de daken wil schreeuwen: mannen, laat je contro­leren! Als ze er in Berts geval eerder bij waren geweest, was alles misschien anders verlopen. Hoewel de kanker niet was uitgezaaid, was zijn situatie zorgelijk. Hij zou geopereerd moeten worden en hormoon­therapie krijgen.

Bert en ik kregen het nieuws samen, hand in hand zaten we tegenover de arts. Ik voelde hoe klam zijn hand was. Bert is altijd bang voor artsen geweest. Ook kampte hij met hypochondrie, hij kon vaak liggen tobben over zijn gezondheid. Nu kwam zijn ergste nachtmerrie uit. In de auto hebben we in elkaars armen zitten huilen. Hoewel de prognoses niet per se slecht waren, waren we zó bang. Voor Bert probeerde ik rustig te blijven, het ging tenslotte om zíjn leven. Maar voor mij voelde het alsof ook mijn leven op het spel stond. Want zonder Bert zag ik op dat moment geen toekomst meer. 

‘Er kan zelfs geen knuffel meer vanaf’

Pas dagen later vonden we moed om het aan onze kinderen te vertellen. Een intens verdrietige avond. Daarna maakten we ons op voor het hele proces. Van seks kwam het in die periode niet, dat was veel te beladen. Maar we vonden troost in elkaars armen, en sliepen, wanhopig en bang, dichter tegen elkaar aan dan ooit. Toen nog wel. 

De periode van de operaties en de behandelingen verliep redelijk voorspoedig. We kregen veel steun van onze kinderen en onze omgeving. En doordat de artsen positief waren, hoopvol, voelde ik mijn kracht terugkomen. Bert en ik hebben tijdens ons huwelijk meer moeilijke periodes gehad. We hebben een dochtertje verloren; ze overleed drie dagen na haar geboorte. De oorzaak is nooit gevonden. Hoe verschrikkelijk dat ook was, uiteindelijk heeft het de band tussen Bert en mij versterkt. Ik begon te hopen dat we ook door deze zwarte periode zouden komen, en dat dat ons opnieuw dichter bij elkaar zou brengen. 

Incontinentie

Maar terwijl ik mijn kracht terugvond, bleef Bert zich zorgen maken. De incontinentie waar hij mee kampte, vond hij verschrikkelijk. Vermoedelijk zou het tijdelijk zijn, maar hij praatte zichzelf de put in dat het vast nooit meer goed kwam. Gelukkig had hij het fout. Na een tijdje konden de vernederende ‘luiers’, zoals hij de materialen noemde, de deur uit. Maar de impotentie, eveneens een zogenaamd tijdelijk gevolg van alle behandelingen, bleef. Althans, dat zei Bert als ik ernaar vroeg.

Toen al begon hij mij fysiek op afstand te houden. Wanneer ik voorstelde dat we zouden proberen te vrijen, gewoon voorzichtig kijken of het zou lukken, weerde hij me af. Ik vermoed dat hij zich schaamde en faalangst had. Maar dat heeft hij nooit expliciet uitgesproken. Toen een arts er tijdens een gesprek naar informeerde, praatte hij eroverheen. Zei hij dat het niet zo belangrijk was. En uitleg over medicatie of injecties: daar wilde hij niet eens naar luisteren. Vermoedelijk was hij als hypochonder veel te bang voor bijverschijnselen en aan naalden had hij een gruwelijke hekel. 

Ik vond zijn houding moeilijk. Het ging ons immers allebei aan, seks. Het deed me pijn dat het hem kennelijk niets – of in elk geval niet genoeg – kon schelen dat we niet meer vreeën. En dat hij er niet bij stil wilde staan hoe dat voor mij was. Bovendien was het altijd zo intiem geweest. Na een fijne vrijpartij hadden we ons beiden telkens weer extra met elkaar verbonden gevoeld. Dat was nu weg, compleet verdwenen. En niet alleen dat. Bert leek bang te worden voor elk fysiek contact met mij. In bed sliep hij op zijn eigen helft. Wanneer ik tegen hem aan kroop, draaide hij zich van mij af. Ter begroeting kreeg ik nog wel een zoen op mijn mond, maar tegen elkaar aan zitten op de bank wilde hij ook niet meer.

De warme man die ik altijd gekend had, verkilde steeds meer. En hij weigerde pertinent om daarover te praten. Wanneer ik ernaar vroeg, zei hij alleen: ‘Laat me nou toch, ik trek wel weer bij.’ En: ‘Je zet me te veel onder druk, dat werkt averechts, snap je dat niet?’ Maar toen ik er inderdaad het zwijgen maar toe deed, veranderde er niets. Weken werden maanden, maanden werden jaren. Vier jaar, uiteindelijk. 

Vier jaar zonder echte intimiteit of seks. Zonder openhartige gesprekken daarover. Het maakt me intens eenzaam. Ik ben blij dat Bert nog leeft, natuurlijk. Maar de man met wie ik ooit getrouwd ben, die is er niet meer. Onze band is veranderd. We gaan nog altijd vol genegenheid met elkaar om. In woorden, in gebaren. Maar een echt leven als geliefden, met zo nu een dan een arm om je heen, of hand in hand lopen, dat is er niet meer bij. Na al die jaren is het onderwerp onbespreekbaar geworden. Heel soms maak ik er een toespeling op. Dan doet Bert alsof zijn neus bloedt. Ook andere confrontaties met intimiteit of seks – zoals een erotische scène op tv – gaat hij uit de weg door net op dat moment koffie te maken, of verder te zappen. 

Het bleef niet bij koffie drinken

Ik mis de oude Bert, het liefdevolle contact dat we vroeger hadden en de seks die in een huwelijk hoort. Jarenlang heb ik geprobeerd om mij erbij neer te leggen. Want bij hem weg, dat zou ik ondanks alles nooit doen. We hebben voor elkaar gekozen, in goede en in slechte tijden. Maar ik bleef wel iets missen. En toen ik vorig jaar bij een cursus Italiaans een gescheiden man leerde kennen met wie ik weleens koffie dronk, is dat uiteindelijk niet bij koffie drinken gebleven.

Op een middag vertelde hij over de laatste jaren van zijn huwelijk. Sinds de overgang verdroeg zijn vrouw hem niet meer om zich heen. Hij moest zelfs op een andere kamer slapen. Er klonk veel eenzaamheid in zijn woorden en ik moest vechten tegen mijn tranen. Uiteindelijk heb ik hem ook mijn verhaal verteld. En van het een is het ander gekomen. De cursus is afgelopen, maar we zien elkaar nog steeds. Een, twee keer per maand. Verliefd ben ik niet, en ik zie absoluut geen toekomst met deze man. Maar het is zó fijn om weer aangeraakt te worden. Huid op huid-contact. Dat laat je voelen dat je leeft.

Soms, als ik na zo’n ontmoeting weer ’s avonds met Bert op de bank zit, vraag ik me af waar de tijd gebleven is dat hij alles aan mij af kon lezen. Vreemdgaan: het kwam in het verleden niet in mij op. Ik heb er sowieso nooit behoefte aan gehad, ik had meer dan genoeg aan Bert. Maar wij waren ook zo hecht, dat ik zeker wist dat hij het meteen aan mijn gezicht zou aflezen. Nu bladert hij door een tijdschrift, zapt hij langs de tv-kanalen en lijkt hij mij amper op te merken. Laat staan dat hij voelt dat ik mijn lichaam die dag aan een ander heb gegeven. 

Soms voel ik de behoefte om kwaad te worden. Om weer eens tegen hem te schreeuwen, zoals we vroeger deden. Maar grote ruzies legden we in bed altijd weer bij; nu dat er niet meer in zit, gaan we voorzichtiger met elkaar om. Geen dalen meer, maar ook geen pieken. Dat dat allemaal het gevolg kon zijn van zijn ziekte, had ik nooit kunnen bedenken. Maar ik weet dat ik niet de enige vrouw ben die zo eenzaam is. Er zijn meer mannen die in een afstandelijke, gesloten echtgenoot veranderen door prostaatkanker. En daarom wil ik nogmaals benadrukken: laat je controleren en zorg ervoor dat je er vroeg bij bent. Dan is dit allemaal te voorkomen.”

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Annemarie(46) had nooit gedacht dat haar dochter in de gevangenis zou belanden en al helemaal niet dat ze vervolgens zelfs de steun van haar vriendinnen kon vergeten... 

‘In het dorp waar we wonen, gaat het als een lopend vuurtje dat Denise in de gevangenis zit. Op straat kijken mensen anders naar me en ik zie hen tegen elkaar fluisteren: “Kijk, daar loopt ze.”

Achter mijn rug om bekritiseren ze ook mijn opvoedingsstijl. Ik zou niet streng genoeg zijn geweest. Soms twijfel ik aan mezelf. Heb ik inderdaad steken laten vallen?

Mijn man overleed een jaar na de geboorte van onze dochter. De opvoeding van Denise kwam daardoor volledig op mij neer. Ik combineer een bijna-fulltime baan in een delicatessenwinkel met de zorg voor haar. Maar eigenlijk ging dat al die tijd best goed.

Haar naïviteit baarde me wel eens zorgen

Ze zat op hockey en had een verzorgpony waarmee ze veel tijd doorbracht. Een lief en gezellig kind. Wel merkte ik al eerder dat ze erg goedgelovig is. Ze kan bijvoorbeeld niet altijd goed inschatten of iemand  een grapje maakt of niet. Die naïviteit baarde me weleens zorgen, omdat het haar kwetsbaar maakt.

Maar door mijn drukke baan had ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan.

Social media

Zo'n jaar geleden, Denise was net zestien geworden, ging het me irriteren dat ze continu met social media in de weer was. Als ik uit mijn werk kwam, trof ik haar steevast aan op haar kamer met haar mobiel in haar hand. Zelfs ’s avonds in bed kon ze geen afscheid nemen van haar telefoon. 

Op een avond tijdens het eten bracht ik haar gedrag ter sprake. Toen biechtte ze me op: “Mam, ik heb een leuke jongen leren kennen via Instagram.”

Naar onderbuikgevoel

Het bleek een jongen van een andere school, maar hij was pas zeventien en ik zag er in eerste instantie niet veel kwaads in. Toch kreeg ik, toen ze me een paar weken later voorstelde aan deze Michael, een naar onderbuikgevoel. En naarmate de dag vorderde, werd mijn gevoel sterker.

Hij deed overdreven vriendelijk tegen mij, terwijl ik hoorde dat hij haar, boven op haar kamer, commandeerde. Toen hij weg was, begon ik erover. Maar Denise werd boos: hij was juist geweldig. Ik wist dat aandringen een averechts effect zou hebben, dus liet ik het maar op z’n beloop.

Totdat ze op een gegeven moment tussen neus en lippen door vertelde dat hij een paar keer in aanraking was geweest met de politie, wegens diefstal. Ik werd ongerust, zei meteen dat ze moest stoppen met de relatie. Maar ze was te verliefd om te gehoorzamen.

Een paar maanden later vertelde ze dat een jongen uit haar klas gek op haar was. Hij vond zichzelf een veel betere partij voor haar dan Michael en dat liet hij haar nadrukkelijk merken. Zij vond het wel vermakelijk, maar toen Michael het hoorde, werd hij woest.

Ik raakte volledig in shock

Het weekend daarop ging ik naar een vriend buiten de stad. Hij had gevoetbald en we liepen net van het veld naar de kantine, toen mijn telefoon ging. Het bleek mijn beste vriendin te zijn, die me vertelde: “Je dochter is net door politieagenten meegenomen in een busje. Bel even de politie om te horen wat er aan de hand is.”

Maar wat er precies gebeurd was, hoorde ik pas in de rechtbank. Ik raakte volledig in shock toen ik het mijn dochter aan de rechter hoorde vertellen.

Michael had de jongen die achter zíjn vriendin aanzat een lesje willen leren. Hij had een gruwelijk plan bedacht, dat ze samen zouden uitvoeren.

Denise vroeg de jongen, via WhatsApp, naar haar toe te komen. Ze wachtte hem op bij een bushalte in ons dorp. Toen hij uitstapte, kwam Michael vanachter een geparkeerde auto tevoorschijn met een doek voor zijn mond en neus.

Hij greep de jongen met een nekklem vast, dreigde met een mes en eiste zijn portemonnee. Toen hij die gekregen had, stak hij de jongen nog eens keihard in z'n bovenbeen en rende vervolgens weg.

Toen de ambulance en de politie arri­veerden, loog Denise, zoals ze met haar vriendje had afgesproken, tegen de agenten dat ze de overvaller niet kende. 

Een halfjaar detentie

Een halfjaar detentie in een jeugdgevangenis legde de rechter mijn dochter op. De straf was zo hoog, omdat ze het krankzinnige plan samen hadden beraamd en uitgevoerd. Mijn dochter werd gezien als medepleger van straatroof met geweld.

Nog voel ik de woede die me overviel. Gericht op Michael. Hij had mijn wat naïeve, maar beschaafde meisje meegesleurd in de drek. Volledig van de kaart was ik.

Nadat ze gearresteerd was, heb ik twee weken niet geslapen, omdat ik vol adrenaline zat. Flarden van wat er gebeurd was, bleven maar door mijn hoofd schieten. Werken ging ook niet meer; ik moest me ziek melden.

Dit is een echte gevangenis

De eerste keer dat ik mijn dochter bezocht in de gevangenis herinner ik me nog goed. Na een treinreis van tweeënhalf uur liep ik over het bospad in de richting van de jeugdgevangenis.

In de verte zag ik een groot gebouw opdoemen. Het leek op een villa met een mooie tuin eromheen. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik de hoge hekken, overal beveiligd met schrikdraad. “Dit is een echte gevangenis,” schoot het door me heen, alsof het nu pas echt tot me doordrong. “En hier zit mijn kind nu.”

Binnen moet je eerst alles afgeven: sleutels, telefoon, riem. Dan ga je naar de wachtruimte, waar ook de andere mensen zitten die een gedetineerde komen bezoeken.

Ik ging zitten, keek rond en liet mijn oog even rusten op een vrouw met een korte broek en een vaal shirt. Onze ogen kruisten elkaar kort toen ze me boos toeschreeuwde: “Waarom kijk je naar me?” Ik schrok. Het was een totaal andere wereld waarin ik terecht ben gekomen. Een wereld waar je echt niet in wilt zitten.

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen

Tussen twee bewakers in liepen we naar de kantine. Daar zat Denise te wachten aan een tafeltje. “Wil je koffie mam?” vroeg ze, terwijl ze opstond om naar de koffie-­automaat te lopen. Ze zette twee plastic bekertjes op de tafel voor ons neer en kwam naast me zitten. Zwijgend zaten we even naast elkaar.

Toen zei ze: “Niet meteen kijken, maar dat meisje daar verderop links van je, heeft haar vader en haar broer vermoord.” Vanuit mijn ooghoeken zag ik een knap meisje met donkere krullen zitten. Ook zag ik een meisje met haar armen vol snijwonden. Het was behoorlijk schokkend, allemaal. 

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen: “Denise, waarom heb je dit gedaan? Waarom?” Ik vertelde dat haar oma ook enorm geschokt was. “Ik weet het niet mama, maar ik was bang. Bang voor wat Michael mij zou aandoen als ik niet meedeed.”

Na een uur zei een van de medewerkers met een zware, harde stem: “Het bezoekuur is afgelopen.” Denise stond op, omhelsde me en zei huilend: “Mam, ik hou onwijs veel van jou. En het spijt me wat ik gedaan heb.”

Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer

Ik weet dat ze het meent, maar de situatie heeft onze sociale positie in het dorp enorm aangetast. Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer. Ik kan met hen niet praten over de situatie, omdat ik me schaam.

Hun afkeurende houding, hoe ze naar me kijken als ik ze tegenkom, versterkt dat gevoel. Maar er zijn ook mensen die mij enorm steunen. Mijn moeder, mijn beste vriendin, mijn collega’s. Met hen is de band juist versterkt.

Dat is een voordeel, als je het zo mag noemen, van deze situatie: je merkt wel feilloos wie je echte vrienden zijn.’

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Anne (54) verloor haar dochter en zocht verdoving in de alcohol. Vier jaar verder lijkt het onmogelijk dat ze drank ooit nog opgeeft.

‘Twee weken geleden stond ik om half tien in de avondwinkel. Met een fles witte wijn in mijn handen. Ineens dook er een buurvrouw naast me op. “Feestje?” vroeg ze met een glimlach. Ik smoesde iets over onverwacht bezoek en dat ik niets in huis had.

In de auto kwamen de tranen

Voor de vorm greep ik nog naar een zak nootjes. Daarna draaide ik me gehaast om, bang dat ze aan mijn gezicht zou aflezen dat ik loog. Of dat ze zou ruiken dat ik al een aantal glazen wijn achter de kiezen had. 

Of ik haar een lift naar huis kon geven: ik hoorde heus nog wel dat ze dat riep. Maar ik hield me van de domme. Dat ik zelf de auto was ingestapt met drank op was al erg genoeg, al was het maar een paar straten rijden. Maar aangeschoten en wel een passagier meenemen? Geen denken aan.

In de auto kwamen de tranen; ik besefte weer eens goed hoe dom ik bezig was en ik schaamde me zo. Thuis bleek er maar een remedie: de fles opentrekken en een glas inschenken. En vervolgens doordrinken totdat ik de schaamte verdrongen had.

Totdat ik haast niets meer voelde en zonder gedachten in bed kon kruipen.

Tot vier jaar geleden was ik een matige drinker

In mijn studententijd ben ik weleens dronken geweest, maar toen ik trouwde, kwam dat allang niet meer voor. Toen ik kinderen kreeg, ben ik vanzelfsprekend lange periodes gestopt met alcohol en dat kostte me geen enkele moeite.

Mijn man was wel een behoorlijke innemer. In de eerste tien jaar dat we samen waren, stoorde me dat niet, toen werd hij nog gezellig van drank.

Later, toen het met ons huwelijk al bergafwaarts ging, begon hij een kwade dronk te krijgen. Dan begon hij te schreeuwen en te schelden en was hij niet meer voor rede vatbaar.

Ultimatum

Het liep zo uit de hand dat ik hem uiteindelijk een ultimatum stelde: als hij zou stoppen met drank, wilde ik nog wel relatietherapie proberen. Als hij het niet voor mij over had, was het maar beter dat hij vertrok. We zijn gescheiden.

Later hoorde ik dat hij een nieuwe vriendin had en voor haar wel bereid was, zich te laten behandelen. Dat deed pijn. Ik vond het pittig om er alleen voor te staan met mijn kinderen. Vooral mijn zoon baarde me grote zorgen. Hij is hoogbegaafd en had het op de middelbare school niet gemakkelijk.

Hechte band

Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn dochter, die al in de twintig was en met wie ik een hechte band had. Ondanks dat ze het huis al uit was, hadden we dagelijks contact en kwam ze vaak bij me langs.

Op een gegeven moment stonden we zelfs allebei op Tinder. We zaten samen te swipen, bekeken elkaars matches en vertelden elkaar over onze dates.

Op een zonnige zaterdag ging ze naar het strand met een jongen die ze via deze datingapp had ontmoet. Op de terugweg raakten ze betrokken bij een frontale botsing.

Ik bad onophoudelijk

Vier dagen lang heb ik aan het bed van mijn dochter gewaakt, dagen waarin ik amper sliep en waarin ik voor het eerst sinds mijn vroege jeugd weer bad, onophoudelijk.

Een week later stonden we bij haar graf. Mijn zoon en ik, mijn ex en zijn nieuwe gezin. Al onze familie en vrienden. En de vrienden van mijn dochter, jong en springlevend, zoals zij dat pas ook nog was geweest.

Ik leefde in een waas. Ik had voortdurend het gevoel dat ik straks weer wakker zou worden. Dan zou alles weer gewoon zijn. Dan zou mijn dochter nog leven. Dan zouden we weer lachen, praten, shoppen, swipen en koken.

Durfde niet te gaan slapen

Maar dat moment van wakker worden uit die afschuwelijke droom kwam niet. ’s Avonds durfde ik haast niet te gaan slapen. Elke ochtend, als de waarheid weer tot mij doordrong, deed dat zoveel pijn dat ik dacht dat ik het niet zou overleven.

Dat korte moment van onwetendheid, totdat de waarheid erin hakte, mijn hart stilstond alsof ik het nieuws voor het eerst hoorde: het was te erg. Maar hele nachten opblijven was ook geen optie. Het enige waardoor ik kon ontspannen, waren een paar glazen wijn.

Met elke slok nam het gespook in mijn hoofd af

Mijn gedachten werden trager, stroperig, tot ik, doodmoe, indutte. De kater de volgende dag vond ik ook niet erg; ook die verdoofde mijn hartzeer enigszins. 

Ik ben in die tijd bij mijn huisarts geweest. Die schreef me kalmeringspillen voor. Maar niet te veel, niet te vaak, waarschuwde hij. ‘Voordat je het weet, ben je verslaafd. Dat moeten we niet hebben.’ Ik vind het een misser dat hij niet beter naar mij keek.

De drang om mezelf te verdoven, was zo groot dat ik dat ook zonder zijn hulp wel voor elkaar kreeg. Zo werd alcohol mijn beste vriend. Dat was immers overal voorhanden, elke supermarkt staat er vol mee.

Naïef

Ik lette wel op dat mijn zoon er niets van meekreeg. Ik wilde niet dat hij zich zorgen om mij zou maken. En dat was ook nergens voor nodig, dacht ik.

Ik had dit nu nodig om de eerste tijd door te komen. Maar ik was geen alcoholist, dat had ik mijn leven lang al bewezen, als matige drinker. Dan zou ik heus niet zomaar verslaafd raken, daar moet je toch een genetische aanleg voor hebben? 

Wat een naïeve gedachte. Als je maar stug doordrinkt, komt het zo in je systeem; wordt het zo’n gewoonte, dat je niet meer zonder kunt. Inmiddels is het vier jaar geleden dat mijn dochter overleed en hoewel ik haar nog dagelijks mis, zijn er momenten dat ik weer kan lachen.

Ik weet dat niet alles verloren is. Mijn met zoon gaat het heel goed. Hij heeft een eigen bedrijf opgestart waarmee hij succesvol is. Ik heb een fijne baan, lieve vriendinnen en door wat er met onze dochter is gebeurd, zijn mijn ex en ik weer naar elkaar toegegroeid.

Niet als partners, wel als vrienden. Ik kan alles met hem delen. Bijna alles.

Ik drink nog steeds veel te veel

Want wat niemand, ook hij en mijn zoon niet, weet, is dat ik nog altijd veel drink. Te veel, veel te veel. Het lukt me om dat voor iedereen te verbergen, omdat ik alleen drink als ik thuis ben. In mijn eentje.

In gezelschap neem ik nooit meer dan één drankje, dan kan ik me heel goed inhouden. Ik taal er ook niet naar. Op die momenten ben ik graag helder, zodat ik weet wat ik doe en wat ik zeg. Maar zodra ik alleen ben, ’s avonds, dan lonkt de wijn.

Als ik thuiskom, gaat meestal binnen tien minuten de eerste fles open. Ik probeer het daar bij te houden, maar het gebeurt regelmatig dat ik er nog eentje ontkurk. Want pas dan komt de verdoving, die ik zo prettig ben gaan vinden.

Dan komt de roes waarin ik mij kan onderdompelen. Die mij ontspant en tot mezelf brengt. Daarom zorg ik ervoor dat ik tenminste drie of vier avonden thuis ben. Zodat ik me in mijn eigen wereld kan terugtrekken. Ik zorg er wel voor dat ik op tijd mijn bed opzoek. Ik wil niet dat mijn baan eronder lijdt.

Ik zag het als iets dat ik verdiende

Of mijn drankgebruik daadwerkelijk geen negatieve invloed heeft, betwijfel ik: in de ochtend voel ik me zelden fit, terwijl ik vroeger toch een ochtendmens was. Maar in de loop van de dag ga ik me altijd beter voelen en daardoor verdwijnen telkens weer de voornemens om het niet meer zo bont te maken.

Lang heb ik de ernst er ook niet van ingezien. Ik zag het als troost, als iets wat ik verdiende. 

Hoe erg het was, ontdekte ik pas toen ik vorig jaar weer een relatie kreeg. De eerste tijd dronk ik minder, daarna kwam de trek terug. Wanneer hij het hele weekend bij me was, stuurde ik hem op zondagavond vaak naar huis. Om een fles wijn open te kunnen trekken.

Ik ben fout bezig, zelfdestructief

Ik was continu bezig met verbergen dat ik dronk. Ik forceerde weleens een ruzie om alleen te zijn. Uiteindelijk heb ik het uitgemaakt. Dat was simpeler dan steeds maar liegen. Toen besefte ik wel: ik ben fout bezig. Zelfdestructief, ook dat.

Als ik in de auto stap naar de avondwinkel, weet ik ook heel goed hoe verkeerd het is. Ik heb me na die pijnlijke ontmoeting met de buurvrouw voorgenomen om dat nooit meer te doen; dan pak ik de fiets maar.

Veel beter zou ik natuurlijk kunnen besluiten om op te houden met deze verschrikkelijke gewoonte.

Ik heb zelfs iemand in de buurt die mij heel goed zou kunnen helpen: mijn ex. Maar vooralsnog is de schaamte te groot om open kaart met hem te spelen.’