Ruim een jaar geleden raakte de man van Erica (53) zijn baan kwijt. Hij schaamt zich daar zó voor, dat hij Erica dwingt zijn werkloosheid geheim te houden, zelfs voor hun ­kinderen. 

‘Ik merkte al een tijdje dat er iets met Olaf aan de hand was. ’s Nachts lag hij te woelen, terwijl hij normaal gesproken als een blok in slaap valt. Grauw zat hij aan het ontbijt. Hij ­ontkende dat er problemen speelden op zijn werk, maar ik voelde gewoon dat er iets mis was daar. Als ik naar collega’s informeerde, praatte hij eroverheen en als ik naar ­lopende opdrachten vroeg, zei hij elke keer iets anders. Zo vreemd. 
Nu is Olaf nooit een prater geweest. Hij is de middelste zoon uit een boerengezin, waar het erom ging dat je je handen uit de mouwen stak. “Gevoelens delen, dat doen alleen vrouwen of mietjes,” zei zijn vader altijd tegen hem. In de loop van ons bijna dertigjarige huwelijk heeft Olaf zich langzaam voor mij geopend. Maar daar heb ik veel geduld voor moeten hebben. Aan hem trekken heeft geen zin. Omdat het duidelijk was dat hij ook nu directe vragen ontweek, liet ik hem maar. Ik vertrouwde erop dat hij me op den duur uit zichzelf zou vertellen wat hem dwarszat. Ik hoopte wel dat er niet wéér een reorganisatie was aangekondigd. Olaf deed daar steeds heel luchtig over, maar mij baarde het veel zorgen.  
Op een dinsdagochtend probeerde ik hem te bellen over een familiefeestje. Hij nam niet op. Ik hoorde het geluid van zijn ­mobiele telefoon overgaan in de keuken. Ja, daar lag hij, hij was hem kennelijk vergeten die dag. Ik belde naar zijn werk. De telefoniste viel stil toen ze mijn naam ­hoorde. Verbond me door met het afdelingshoofd, die duidelijk niet besefte wie hij aan de lijn had. “Olaf werkt hier niet meer,” zei hij. “Zal ik u doorverbinden met degene die zijn zaken heeft overgenomen?” Zonder te antwoorden hing ik op. Ik zat lang voor me uit te staren. Nu wist ik dus waarom Olaf zich al zo’n tijd raar gedroeg. Hij was wél zijn baan verloren bij die laatste reorganisatie, waar hij zich zo vol bravoure over had uitgelaten. Iedereen zat in angst, had hij lacherig gezegd. Hij niet, natuurlijk niet. Hem zouden ze niet ontslaan. Niet na zoveel jaren trouwe dienst. No way.
Het onvoorstelbare was dus wél gebeurd. Dat hij zich kennelijk tegenover mij zo schaamde dat hij het niet had durven ­vertellen, maakte me ontzettend verdrietig. Toen hij die middag thuiskwam, had ik nog niets aan het eten gedaan. “Kom zitten”, zei ik. En verder alleen maar: “Ik weet het.” Hij werd wit. Schoof ongemakkelijk naast me. Zei niets. Ik ook niet. Maar toen ik begon te huilen, kwamen bij hem de tranen ook. En toen ik hem in mijn armen nam, kon hij niet meer stoppen. “Het komt goed, het komt goed,” fluisterde ik, terwijl ik zijn hoofd kuste. Mijn hart spleet in tweeën. Ik had mijn man nog nooit zo klein gezien. 
Olaf is 56. Hij is laagopgeleid, maar toch was het hem in de loop der jaren gelukt om een uitstekende functie te krijgen bij het bedrijf waar hij al sinds zijn dertigste in dienst was. De zaken liep daar goed. Totdat de crisis uitbrak. Toen al kromp het bedrijf, vlogen er mensen uit. De afgelopen jaren waren er alleen maar meer mensen ­ontslagen. Olaf vond dat erg, maar hij was ervan overtuigd dat zijn positie veilig was. “Ik heb zo veel kennis, dat gooien ze niet weg,” zei hij altijd. Ik vermoedde dat hij met die woorden zijn angst probeerde te ­bezweren. Want als hij ontslagen zou ­worden, was de kans klein dat hij ooit nog op dit niveau en met dit salaris aan het werk zou komen. Daarvoor mist hij de juiste papieren en zijn werkervaring heeft alleen betrekking op dit bedrijf. 
Maar ditmaal was hij dus ook aan de beurt geweest. Zeven weken had hij het vol­gehouden om het voor mij te verbergen, zo groot was de klap. Toen ik hem vroeg hoe lang hij van plan was geweest om de schijn op te houden, kon hij alleen maar ­antwoorden dat hij het ook niet wist. Dat hij totaal in de war was geraakt van zijn eigen leugens. En van het doelloos in cafés zitten de hele dag. 
We waren nog in gesprek toen de telefoon ging. “Wie het ook is, zeg niks,” siste Olaf. Toen ik de stem van mijn dochter hoorde, die kort daarvoor moeder was geworden, deed ik net alsof er niets aan de hand was. Ze hoorde dat mijn stem anders klonk, mijn neus zat dicht doordat ik zoveel had gehuild. “Ik ben plotseling zó verkouden geworden,” zei ik. Zij slikte het – natuurlijk, waarom niet? We praatten wat over haar zoontje en rondden daarna af alsof er niets aan de hand was. Zo gemakkelijk bleek het dus te gaan: toneelspelen. 
Inmiddels ben ik er een meester in ­geworden. Want we zijn bijna een jaar ­verder. Olaf is nog steeds werkloos. Buiten mij weet niemand ervan. Daar staat Olaf op, omdat hij zich een loser voelt. Hoe vaak ik ook zeg dat het zijn schuld niet is, het wil er niet bij hem in. Zijn werk blijkt al die jaren zijn identiteit te zijn geweest. Iets waar hij altijd houvast en zelfvertrouwen uit putte. Zijn vader, een dominante man, had weinig aandacht voor Olaf toen hij jong was. Hij peperde hem in dat hij niets kon. Dat minderwaardigheidsgevoel is kennelijk nooit gesleten, al is zijn vader al lang ­geleden overleden en hebben wij samen drie kinderen die hem op handen dragen, of hij nu werkt of niet. Dat weet ik zeker. Maar hij wil het hun niet vertellen. Wat zijn plan is? Iets anders vinden, en dan net doen alsof het zijn eigen keuze was om van baan te wisselen.
Al die tijd dat hij mij had voorgelogen, had hij op zijn laptop zitten zoeken naar ­vacatures. Daar is hij het afgelopen jaar mee doorgegaan. Hij solliciteert zich suf: maar tot dusver heeft het niets opgeleverd. Soms wordt hij uitgenodigd, dan zijn we telkens hoopvol. Maar keer op keer wordt hij af­gewezen. Qua geld hoeven we ons op dit moment nog geen zorgen te maken. We redden het met onze spaarrekening en de WW-uitkering van Olaf. Daar heeft hij gelukkig nog wel even recht op. Maar dat houdt een keer op. En dan komen we wel in de problemen. 
Het geheim dat we nu al een jaar samen delen, bracht ons in eerste instantie nader tot elkaar. Ik drong erop aan dat we ook leuke dingen zouden doen, nu hij vrij was, ter ontspanning. Het was zomer en daar genoten we van. We trokken er samen op uit, gingen vaak fietsen. Dat was fijn – al was het raar om dat te verzwijgen. Om schaapachtig te lachen als onze kinderen tegen Olaf zeiden: “Goh, wat ben je bruin, pa.” En om vervolgens met factor 50 op pad te gaan, zodat hij niet te veel zon pakt en het aannemelijk bleef dat hij zijn dagen op kantoor doorbracht. 
Toen het winter werd, raakten we ­bedrukter. Het is zwaar om continu samen thuis te zijn. Olaf kan zichzelf niet goed bezighouden. Als hij niet op het internet zit, wil hij ­vermaakt worden. Mijn vrijheid is aangetast – vroeger kon ik doen en laten wat ik wilde, zonder dat ik uitleg verschuldigd was. Nu vraagt hij elk moment wat ik ga doen en hoe laat ik weer thuis kom. Niet dat ik iets te verbergen heb, maar het is niet fijn. Ook erger ik me eraan dat hij zo veel televisie kijkt. En dan zijn er de kleine dingen, waardoor ik continu besef dat we in een leugen leven. Zo neemt Olaf overdag nooit onze huis­telefoon op. Als er wordt aangebeld, loopt hij naar boven. Soms komt een van onze kinderen langs. Dan drink ik koffie met hen, en dan zit Olaf boven op zijn kamer en durft hij niet eens naar de wc te gaan omdat dat geluid maakt. Dat is toch een krankzinnige, onhoudbare situatie? Als we op straat lopen en we komen een kennis tegen, zegt Olaf lachend dat hij toevallig een vrije dag heeft. Hem lijken de leugens gemakkelijk af te gaan. Bij onze kinderen en vrienden gedraagt hij zich heel normaal. Als hem iets wordt gevraagd over zijn werk, schudt hij argeloos een aannemelijk verhaal uit zijn mouw. Ik vind dat altijd weer ­moeilijk om te zien. Maar ik doe hetzelfde. Ook ik hou de schone schijn op. En tot dusver is er niemand die iets vermoedt. 
Maar dit kan niet lang meer duren. Ik vind dat Olaf moet solliciteren op banen die weliswaar minder goed betalen, maar wel meer kans bieden om aangenomen te worden. Ik heb ook voorgesteld dat ík ga werken. We moeten hoe dan ook voorkomen dat we straks in de financiële problemen komen. Olaf blijft weigeren – want dan moet hij natuurlijk open kaart spelen. Ik heb hem nog een halfjaar gegeven. Dan wil ik niet langer meedoen aan dit toneelspel. Want het is belachelijk, er is niets om ons voor te schamen! Nou ja, inmiddels wel: dat wij dit al zo lang verzwijgen. Dus hoe sneller dat voorbij is, hoe beter.’

More content below the advertising