Ruim een jaar geleden raakte de man van Erica (53) zijn baan kwijt. Hij schaamt zich daar zó voor, dat hij Erica dwingt zijn werkloosheid geheim te houden, zelfs voor hun ­kinderen. 

‘Ik merkte al een tijdje dat er iets met Olaf aan de hand was. ’s Nachts lag hij te woelen, terwijl hij normaal gesproken als een blok in slaap valt. Grauw zat hij aan het ontbijt. Hij ­ontkende dat er problemen speelden op zijn werk, maar ik voelde gewoon dat er iets mis was daar. Als ik naar collega’s informeerde, praatte hij eroverheen en als ik naar ­lopende opdrachten vroeg, zei hij elke keer iets anders. Zo vreemd. 
Nu is Olaf nooit een prater geweest. Hij is de middelste zoon uit een boerengezin, waar het erom ging dat je je handen uit de mouwen stak. “Gevoelens delen, dat doen alleen vrouwen of mietjes,” zei zijn vader altijd tegen hem. In de loop van ons bijna dertigjarige huwelijk heeft Olaf zich langzaam voor mij geopend. Maar daar heb ik veel geduld voor moeten hebben. Aan hem trekken heeft geen zin. Omdat het duidelijk was dat hij ook nu directe vragen ontweek, liet ik hem maar. Ik vertrouwde erop dat hij me op den duur uit zichzelf zou vertellen wat hem dwarszat. Ik hoopte wel dat er niet wéér een reorganisatie was aangekondigd. Olaf deed daar steeds heel luchtig over, maar mij baarde het veel zorgen.  
Op een dinsdagochtend probeerde ik hem te bellen over een familiefeestje. Hij nam niet op. Ik hoorde het geluid van zijn ­mobiele telefoon overgaan in de keuken. Ja, daar lag hij, hij was hem kennelijk vergeten die dag. Ik belde naar zijn werk. De telefoniste viel stil toen ze mijn naam ­hoorde. Verbond me door met het afdelingshoofd, die duidelijk niet besefte wie hij aan de lijn had. “Olaf werkt hier niet meer,” zei hij. “Zal ik u doorverbinden met degene die zijn zaken heeft overgenomen?” Zonder te antwoorden hing ik op. Ik zat lang voor me uit te staren. Nu wist ik dus waarom Olaf zich al zo’n tijd raar gedroeg. Hij was wél zijn baan verloren bij die laatste reorganisatie, waar hij zich zo vol bravoure over had uitgelaten. Iedereen zat in angst, had hij lacherig gezegd. Hij niet, natuurlijk niet. Hem zouden ze niet ontslaan. Niet na zoveel jaren trouwe dienst. No way.
Het onvoorstelbare was dus wél gebeurd. Dat hij zich kennelijk tegenover mij zo schaamde dat hij het niet had durven ­vertellen, maakte me ontzettend verdrietig. Toen hij die middag thuiskwam, had ik nog niets aan het eten gedaan. “Kom zitten”, zei ik. En verder alleen maar: “Ik weet het.” Hij werd wit. Schoof ongemakkelijk naast me. Zei niets. Ik ook niet. Maar toen ik begon te huilen, kwamen bij hem de tranen ook. En toen ik hem in mijn armen nam, kon hij niet meer stoppen. “Het komt goed, het komt goed,” fluisterde ik, terwijl ik zijn hoofd kuste. Mijn hart spleet in tweeën. Ik had mijn man nog nooit zo klein gezien. 
Olaf is 56. Hij is laagopgeleid, maar toch was het hem in de loop der jaren gelukt om een uitstekende functie te krijgen bij het bedrijf waar hij al sinds zijn dertigste in dienst was. De zaken liep daar goed. Totdat de crisis uitbrak. Toen al kromp het bedrijf, vlogen er mensen uit. De afgelopen jaren waren er alleen maar meer mensen ­ontslagen. Olaf vond dat erg, maar hij was ervan overtuigd dat zijn positie veilig was. “Ik heb zo veel kennis, dat gooien ze niet weg,” zei hij altijd. Ik vermoedde dat hij met die woorden zijn angst probeerde te ­bezweren. Want als hij ontslagen zou ­worden, was de kans klein dat hij ooit nog op dit niveau en met dit salaris aan het werk zou komen. Daarvoor mist hij de juiste papieren en zijn werkervaring heeft alleen betrekking op dit bedrijf. 
Maar ditmaal was hij dus ook aan de beurt geweest. Zeven weken had hij het vol­gehouden om het voor mij te verbergen, zo groot was de klap. Toen ik hem vroeg hoe lang hij van plan was geweest om de schijn op te houden, kon hij alleen maar ­antwoorden dat hij het ook niet wist. Dat hij totaal in de war was geraakt van zijn eigen leugens. En van het doelloos in cafés zitten de hele dag. 
We waren nog in gesprek toen de telefoon ging. “Wie het ook is, zeg niks,” siste Olaf. Toen ik de stem van mijn dochter hoorde, die kort daarvoor moeder was geworden, deed ik net alsof er niets aan de hand was. Ze hoorde dat mijn stem anders klonk, mijn neus zat dicht doordat ik zoveel had gehuild. “Ik ben plotseling zó verkouden geworden,” zei ik. Zij slikte het – natuurlijk, waarom niet? We praatten wat over haar zoontje en rondden daarna af alsof er niets aan de hand was. Zo gemakkelijk bleek het dus te gaan: toneelspelen. 
Inmiddels ben ik er een meester in ­geworden. Want we zijn bijna een jaar ­verder. Olaf is nog steeds werkloos. Buiten mij weet niemand ervan. Daar staat Olaf op, omdat hij zich een loser voelt. Hoe vaak ik ook zeg dat het zijn schuld niet is, het wil er niet bij hem in. Zijn werk blijkt al die jaren zijn identiteit te zijn geweest. Iets waar hij altijd houvast en zelfvertrouwen uit putte. Zijn vader, een dominante man, had weinig aandacht voor Olaf toen hij jong was. Hij peperde hem in dat hij niets kon. Dat minderwaardigheidsgevoel is kennelijk nooit gesleten, al is zijn vader al lang ­geleden overleden en hebben wij samen drie kinderen die hem op handen dragen, of hij nu werkt of niet. Dat weet ik zeker. Maar hij wil het hun niet vertellen. Wat zijn plan is? Iets anders vinden, en dan net doen alsof het zijn eigen keuze was om van baan te wisselen.
Al die tijd dat hij mij had voorgelogen, had hij op zijn laptop zitten zoeken naar ­vacatures. Daar is hij het afgelopen jaar mee doorgegaan. Hij solliciteert zich suf: maar tot dusver heeft het niets opgeleverd. Soms wordt hij uitgenodigd, dan zijn we telkens hoopvol. Maar keer op keer wordt hij af­gewezen. Qua geld hoeven we ons op dit moment nog geen zorgen te maken. We redden het met onze spaarrekening en de WW-uitkering van Olaf. Daar heeft hij gelukkig nog wel even recht op. Maar dat houdt een keer op. En dan komen we wel in de problemen. 
Het geheim dat we nu al een jaar samen delen, bracht ons in eerste instantie nader tot elkaar. Ik drong erop aan dat we ook leuke dingen zouden doen, nu hij vrij was, ter ontspanning. Het was zomer en daar genoten we van. We trokken er samen op uit, gingen vaak fietsen. Dat was fijn – al was het raar om dat te verzwijgen. Om schaapachtig te lachen als onze kinderen tegen Olaf zeiden: “Goh, wat ben je bruin, pa.” En om vervolgens met factor 50 op pad te gaan, zodat hij niet te veel zon pakt en het aannemelijk bleef dat hij zijn dagen op kantoor doorbracht. 
Toen het winter werd, raakten we ­bedrukter. Het is zwaar om continu samen thuis te zijn. Olaf kan zichzelf niet goed bezighouden. Als hij niet op het internet zit, wil hij ­vermaakt worden. Mijn vrijheid is aangetast – vroeger kon ik doen en laten wat ik wilde, zonder dat ik uitleg verschuldigd was. Nu vraagt hij elk moment wat ik ga doen en hoe laat ik weer thuis kom. Niet dat ik iets te verbergen heb, maar het is niet fijn. Ook erger ik me eraan dat hij zo veel televisie kijkt. En dan zijn er de kleine dingen, waardoor ik continu besef dat we in een leugen leven. Zo neemt Olaf overdag nooit onze huis­telefoon op. Als er wordt aangebeld, loopt hij naar boven. Soms komt een van onze kinderen langs. Dan drink ik koffie met hen, en dan zit Olaf boven op zijn kamer en durft hij niet eens naar de wc te gaan omdat dat geluid maakt. Dat is toch een krankzinnige, onhoudbare situatie? Als we op straat lopen en we komen een kennis tegen, zegt Olaf lachend dat hij toevallig een vrije dag heeft. Hem lijken de leugens gemakkelijk af te gaan. Bij onze kinderen en vrienden gedraagt hij zich heel normaal. Als hem iets wordt gevraagd over zijn werk, schudt hij argeloos een aannemelijk verhaal uit zijn mouw. Ik vind dat altijd weer ­moeilijk om te zien. Maar ik doe hetzelfde. Ook ik hou de schone schijn op. En tot dusver is er niemand die iets vermoedt. 
Maar dit kan niet lang meer duren. Ik vind dat Olaf moet solliciteren op banen die weliswaar minder goed betalen, maar wel meer kans bieden om aangenomen te worden. Ik heb ook voorgesteld dat ík ga werken. We moeten hoe dan ook voorkomen dat we straks in de financiële problemen komen. Olaf blijft weigeren – want dan moet hij natuurlijk open kaart spelen. Ik heb hem nog een halfjaar gegeven. Dan wil ik niet langer meedoen aan dit toneelspel. Want het is belachelijk, er is niets om ons voor te schamen! Nou ja, inmiddels wel: dat wij dit al zo lang verzwijgen. Dus hoe sneller dat voorbij is, hoe beter.’

Annemarie(46) had nooit gedacht dat haar dochter in de gevangenis zou belanden en al helemaal niet dat ze vervolgens zelfs de steun van haar vriendinnen kon vergeten... 

‘In het dorp waar we wonen, gaat het als een lopend vuurtje dat Denise in de gevangenis zit. Op straat kijken mensen anders naar me en ik zie hen tegen elkaar fluisteren: “Kijk, daar loopt ze.”

Achter mijn rug om bekritiseren ze ook mijn opvoedingsstijl. Ik zou niet streng genoeg zijn geweest. Soms twijfel ik aan mezelf. Heb ik inderdaad steken laten vallen?

Mijn man overleed een jaar na de geboorte van onze dochter. De opvoeding van Denise kwam daardoor volledig op mij neer. Ik combineer een bijna-fulltime baan in een delicatessenwinkel met de zorg voor haar. Maar eigenlijk ging dat al die tijd best goed.

Haar naïviteit baarde me wel eens zorgen

Ze zat op hockey en had een verzorgpony waarmee ze veel tijd doorbracht. Een lief en gezellig kind. Wel merkte ik al eerder dat ze erg goedgelovig is. Ze kan bijvoorbeeld niet altijd goed inschatten of iemand  een grapje maakt of niet. Die naïviteit baarde me weleens zorgen, omdat het haar kwetsbaar maakt.

Maar door mijn drukke baan had ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan.

Social media

Zo'n jaar geleden, Denise was net zestien geworden, ging het me irriteren dat ze continu met social media in de weer was. Als ik uit mijn werk kwam, trof ik haar steevast aan op haar kamer met haar mobiel in haar hand. Zelfs ’s avonds in bed kon ze geen afscheid nemen van haar telefoon. 

Op een avond tijdens het eten bracht ik haar gedrag ter sprake. Toen biechtte ze me op: “Mam, ik heb een leuke jongen leren kennen via Instagram.”

Naar onderbuikgevoel

Het bleek een jongen van een andere school, maar hij was pas zeventien en ik zag er in eerste instantie niet veel kwaads in. Toch kreeg ik, toen ze me een paar weken later voorstelde aan deze Michael, een naar onderbuikgevoel. En naarmate de dag vorderde, werd mijn gevoel sterker.

Hij deed overdreven vriendelijk tegen mij, terwijl ik hoorde dat hij haar, boven op haar kamer, commandeerde. Toen hij weg was, begon ik erover. Maar Denise werd boos: hij was juist geweldig. Ik wist dat aandringen een averechts effect zou hebben, dus liet ik het maar op z’n beloop.

Totdat ze op een gegeven moment tussen neus en lippen door vertelde dat hij een paar keer in aanraking was geweest met de politie, wegens diefstal. Ik werd ongerust, zei meteen dat ze moest stoppen met de relatie. Maar ze was te verliefd om te gehoorzamen.

Een paar maanden later vertelde ze dat een jongen uit haar klas gek op haar was. Hij vond zichzelf een veel betere partij voor haar dan Michael en dat liet hij haar nadrukkelijk merken. Zij vond het wel vermakelijk, maar toen Michael het hoorde, werd hij woest.

Ik raakte volledig in shock

Het weekend daarop ging ik naar een vriend buiten de stad. Hij had gevoetbald en we liepen net van het veld naar de kantine, toen mijn telefoon ging. Het bleek mijn beste vriendin te zijn, die me vertelde: “Je dochter is net door politieagenten meegenomen in een busje. Bel even de politie om te horen wat er aan de hand is.”

Maar wat er precies gebeurd was, hoorde ik pas in de rechtbank. Ik raakte volledig in shock toen ik het mijn dochter aan de rechter hoorde vertellen.

Michael had de jongen die achter zíjn vriendin aanzat een lesje willen leren. Hij had een gruwelijk plan bedacht, dat ze samen zouden uitvoeren.

Denise vroeg de jongen, via WhatsApp, naar haar toe te komen. Ze wachtte hem op bij een bushalte in ons dorp. Toen hij uitstapte, kwam Michael vanachter een geparkeerde auto tevoorschijn met een doek voor zijn mond en neus.

Hij greep de jongen met een nekklem vast, dreigde met een mes en eiste zijn portemonnee. Toen hij die gekregen had, stak hij de jongen nog eens keihard in z'n bovenbeen en rende vervolgens weg.

Toen de ambulance en de politie arri­veerden, loog Denise, zoals ze met haar vriendje had afgesproken, tegen de agenten dat ze de overvaller niet kende. 

Een halfjaar detentie

Een halfjaar detentie in een jeugdgevangenis legde de rechter mijn dochter op. De straf was zo hoog, omdat ze het krankzinnige plan samen hadden beraamd en uitgevoerd. Mijn dochter werd gezien als medepleger van straatroof met geweld.

Nog voel ik de woede die me overviel. Gericht op Michael. Hij had mijn wat naïeve, maar beschaafde meisje meegesleurd in de drek. Volledig van de kaart was ik.

Nadat ze gearresteerd was, heb ik twee weken niet geslapen, omdat ik vol adrenaline zat. Flarden van wat er gebeurd was, bleven maar door mijn hoofd schieten. Werken ging ook niet meer; ik moest me ziek melden.

Dit is een echte gevangenis

De eerste keer dat ik mijn dochter bezocht in de gevangenis herinner ik me nog goed. Na een treinreis van tweeënhalf uur liep ik over het bospad in de richting van de jeugdgevangenis.

In de verte zag ik een groot gebouw opdoemen. Het leek op een villa met een mooie tuin eromheen. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik de hoge hekken, overal beveiligd met schrikdraad. “Dit is een echte gevangenis,” schoot het door me heen, alsof het nu pas echt tot me doordrong. “En hier zit mijn kind nu.”

Binnen moet je eerst alles afgeven: sleutels, telefoon, riem. Dan ga je naar de wachtruimte, waar ook de andere mensen zitten die een gedetineerde komen bezoeken.

Ik ging zitten, keek rond en liet mijn oog even rusten op een vrouw met een korte broek en een vaal shirt. Onze ogen kruisten elkaar kort toen ze me boos toeschreeuwde: “Waarom kijk je naar me?” Ik schrok. Het was een totaal andere wereld waarin ik terecht ben gekomen. Een wereld waar je echt niet in wilt zitten.

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen

Tussen twee bewakers in liepen we naar de kantine. Daar zat Denise te wachten aan een tafeltje. “Wil je koffie mam?” vroeg ze, terwijl ze opstond om naar de koffie-­automaat te lopen. Ze zette twee plastic bekertjes op de tafel voor ons neer en kwam naast me zitten. Zwijgend zaten we even naast elkaar.

Toen zei ze: “Niet meteen kijken, maar dat meisje daar verderop links van je, heeft haar vader en haar broer vermoord.” Vanuit mijn ooghoeken zag ik een knap meisje met donkere krullen zitten. Ook zag ik een meisje met haar armen vol snijwonden. Het was behoorlijk schokkend, allemaal. 

Toen vroeg ik haar wat ik al die tijd al had willen vragen: “Denise, waarom heb je dit gedaan? Waarom?” Ik vertelde dat haar oma ook enorm geschokt was. “Ik weet het niet mama, maar ik was bang. Bang voor wat Michael mij zou aandoen als ik niet meedeed.”

Na een uur zei een van de medewerkers met een zware, harde stem: “Het bezoekuur is afgelopen.” Denise stond op, omhelsde me en zei huilend: “Mam, ik hou onwijs veel van jou. En het spijt me wat ik gedaan heb.”

Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer

Ik weet dat ze het meent, maar de situatie heeft onze sociale positie in het dorp enorm aangetast. Met sommige vriendinnen heb ik bijna geen contact meer. Ik kan met hen niet praten over de situatie, omdat ik me schaam.

Hun afkeurende houding, hoe ze naar me kijken als ik ze tegenkom, versterkt dat gevoel. Maar er zijn ook mensen die mij enorm steunen. Mijn moeder, mijn beste vriendin, mijn collega’s. Met hen is de band juist versterkt.

Dat is een voordeel, als je het zo mag noemen, van deze situatie: je merkt wel feilloos wie je echte vrienden zijn.’

De namen in dit artikel zijn gefingeerd.

Anne (54) verloor haar dochter en zocht verdoving in de alcohol. Vier jaar verder lijkt het onmogelijk dat ze drank ooit nog opgeeft.

‘Twee weken geleden stond ik om half tien in de avondwinkel. Met een fles witte wijn in mijn handen. Ineens dook er een buurvrouw naast me op. “Feestje?” vroeg ze met een glimlach. Ik smoesde iets over onverwacht bezoek en dat ik niets in huis had.

In de auto kwamen de tranen

Voor de vorm greep ik nog naar een zak nootjes. Daarna draaide ik me gehaast om, bang dat ze aan mijn gezicht zou aflezen dat ik loog. Of dat ze zou ruiken dat ik al een aantal glazen wijn achter de kiezen had. 

Of ik haar een lift naar huis kon geven: ik hoorde heus nog wel dat ze dat riep. Maar ik hield me van de domme. Dat ik zelf de auto was ingestapt met drank op was al erg genoeg, al was het maar een paar straten rijden. Maar aangeschoten en wel een passagier meenemen? Geen denken aan.

In de auto kwamen de tranen; ik besefte weer eens goed hoe dom ik bezig was en ik schaamde me zo. Thuis bleek er maar een remedie: de fles opentrekken en een glas inschenken. En vervolgens doordrinken totdat ik de schaamte verdrongen had.

Totdat ik haast niets meer voelde en zonder gedachten in bed kon kruipen.

Tot vier jaar geleden was ik een matige drinker

In mijn studententijd ben ik weleens dronken geweest, maar toen ik trouwde, kwam dat allang niet meer voor. Toen ik kinderen kreeg, ben ik vanzelfsprekend lange periodes gestopt met alcohol en dat kostte me geen enkele moeite.

Mijn man was wel een behoorlijke innemer. In de eerste tien jaar dat we samen waren, stoorde me dat niet, toen werd hij nog gezellig van drank.

Later, toen het met ons huwelijk al bergafwaarts ging, begon hij een kwade dronk te krijgen. Dan begon hij te schreeuwen en te schelden en was hij niet meer voor rede vatbaar.

Ultimatum

Het liep zo uit de hand dat ik hem uiteindelijk een ultimatum stelde: als hij zou stoppen met drank, wilde ik nog wel relatietherapie proberen. Als hij het niet voor mij over had, was het maar beter dat hij vertrok. We zijn gescheiden.

Later hoorde ik dat hij een nieuwe vriendin had en voor haar wel bereid was, zich te laten behandelen. Dat deed pijn. Ik vond het pittig om er alleen voor te staan met mijn kinderen. Vooral mijn zoon baarde me grote zorgen. Hij is hoogbegaafd en had het op de middelbare school niet gemakkelijk.

Hechte band

Gelukkig kreeg ik veel steun van mijn dochter, die al in de twintig was en met wie ik een hechte band had. Ondanks dat ze het huis al uit was, hadden we dagelijks contact en kwam ze vaak bij me langs.

Op een gegeven moment stonden we zelfs allebei op Tinder. We zaten samen te swipen, bekeken elkaars matches en vertelden elkaar over onze dates.

Op een zonnige zaterdag ging ze naar het strand met een jongen die ze via deze datingapp had ontmoet. Op de terugweg raakten ze betrokken bij een frontale botsing.

Ik bad onophoudelijk

Vier dagen lang heb ik aan het bed van mijn dochter gewaakt, dagen waarin ik amper sliep en waarin ik voor het eerst sinds mijn vroege jeugd weer bad, onophoudelijk.

Een week later stonden we bij haar graf. Mijn zoon en ik, mijn ex en zijn nieuwe gezin. Al onze familie en vrienden. En de vrienden van mijn dochter, jong en springlevend, zoals zij dat pas ook nog was geweest.

Ik leefde in een waas. Ik had voortdurend het gevoel dat ik straks weer wakker zou worden. Dan zou alles weer gewoon zijn. Dan zou mijn dochter nog leven. Dan zouden we weer lachen, praten, shoppen, swipen en koken.

Durfde niet te gaan slapen

Maar dat moment van wakker worden uit die afschuwelijke droom kwam niet. ’s Avonds durfde ik haast niet te gaan slapen. Elke ochtend, als de waarheid weer tot mij doordrong, deed dat zoveel pijn dat ik dacht dat ik het niet zou overleven.

Dat korte moment van onwetendheid, totdat de waarheid erin hakte, mijn hart stilstond alsof ik het nieuws voor het eerst hoorde: het was te erg. Maar hele nachten opblijven was ook geen optie. Het enige waardoor ik kon ontspannen, waren een paar glazen wijn.

Met elke slok nam het gespook in mijn hoofd af

Mijn gedachten werden trager, stroperig, tot ik, doodmoe, indutte. De kater de volgende dag vond ik ook niet erg; ook die verdoofde mijn hartzeer enigszins. 

Ik ben in die tijd bij mijn huisarts geweest. Die schreef me kalmeringspillen voor. Maar niet te veel, niet te vaak, waarschuwde hij. ‘Voordat je het weet, ben je verslaafd. Dat moeten we niet hebben.’ Ik vind het een misser dat hij niet beter naar mij keek.

De drang om mezelf te verdoven, was zo groot dat ik dat ook zonder zijn hulp wel voor elkaar kreeg. Zo werd alcohol mijn beste vriend. Dat was immers overal voorhanden, elke supermarkt staat er vol mee.

Naïef

Ik lette wel op dat mijn zoon er niets van meekreeg. Ik wilde niet dat hij zich zorgen om mij zou maken. En dat was ook nergens voor nodig, dacht ik.

Ik had dit nu nodig om de eerste tijd door te komen. Maar ik was geen alcoholist, dat had ik mijn leven lang al bewezen, als matige drinker. Dan zou ik heus niet zomaar verslaafd raken, daar moet je toch een genetische aanleg voor hebben? 

Wat een naïeve gedachte. Als je maar stug doordrinkt, komt het zo in je systeem; wordt het zo’n gewoonte, dat je niet meer zonder kunt. Inmiddels is het vier jaar geleden dat mijn dochter overleed en hoewel ik haar nog dagelijks mis, zijn er momenten dat ik weer kan lachen.

Ik weet dat niet alles verloren is. Mijn met zoon gaat het heel goed. Hij heeft een eigen bedrijf opgestart waarmee hij succesvol is. Ik heb een fijne baan, lieve vriendinnen en door wat er met onze dochter is gebeurd, zijn mijn ex en ik weer naar elkaar toegegroeid.

Niet als partners, wel als vrienden. Ik kan alles met hem delen. Bijna alles.

Ik drink nog steeds veel te veel

Want wat niemand, ook hij en mijn zoon niet, weet, is dat ik nog altijd veel drink. Te veel, veel te veel. Het lukt me om dat voor iedereen te verbergen, omdat ik alleen drink als ik thuis ben. In mijn eentje.

In gezelschap neem ik nooit meer dan één drankje, dan kan ik me heel goed inhouden. Ik taal er ook niet naar. Op die momenten ben ik graag helder, zodat ik weet wat ik doe en wat ik zeg. Maar zodra ik alleen ben, ’s avonds, dan lonkt de wijn.

Als ik thuiskom, gaat meestal binnen tien minuten de eerste fles open. Ik probeer het daar bij te houden, maar het gebeurt regelmatig dat ik er nog eentje ontkurk. Want pas dan komt de verdoving, die ik zo prettig ben gaan vinden.

Dan komt de roes waarin ik mij kan onderdompelen. Die mij ontspant en tot mezelf brengt. Daarom zorg ik ervoor dat ik tenminste drie of vier avonden thuis ben. Zodat ik me in mijn eigen wereld kan terugtrekken. Ik zorg er wel voor dat ik op tijd mijn bed opzoek. Ik wil niet dat mijn baan eronder lijdt.

Ik zag het als iets dat ik verdiende

Of mijn drankgebruik daadwerkelijk geen negatieve invloed heeft, betwijfel ik: in de ochtend voel ik me zelden fit, terwijl ik vroeger toch een ochtendmens was. Maar in de loop van de dag ga ik me altijd beter voelen en daardoor verdwijnen telkens weer de voornemens om het niet meer zo bont te maken.

Lang heb ik de ernst er ook niet van ingezien. Ik zag het als troost, als iets wat ik verdiende. 

Hoe erg het was, ontdekte ik pas toen ik vorig jaar weer een relatie kreeg. De eerste tijd dronk ik minder, daarna kwam de trek terug. Wanneer hij het hele weekend bij me was, stuurde ik hem op zondagavond vaak naar huis. Om een fles wijn open te kunnen trekken.

Ik ben fout bezig, zelfdestructief

Ik was continu bezig met verbergen dat ik dronk. Ik forceerde weleens een ruzie om alleen te zijn. Uiteindelijk heb ik het uitgemaakt. Dat was simpeler dan steeds maar liegen. Toen besefte ik wel: ik ben fout bezig. Zelfdestructief, ook dat.

Als ik in de auto stap naar de avondwinkel, weet ik ook heel goed hoe verkeerd het is. Ik heb me na die pijnlijke ontmoeting met de buurvrouw voorgenomen om dat nooit meer te doen; dan pak ik de fiets maar.

Veel beter zou ik natuurlijk kunnen besluiten om op te houden met deze verschrikkelijke gewoonte.

Ik heb zelfs iemand in de buurt die mij heel goed zou kunnen helpen: mijn ex. Maar vooralsnog is de schaamte te groot om open kaart met hem te spelen.’