Met ingehouden adem lezen: aangrijpende verhalen van lezeressen.

Onze columnist Tommy Wieringa schreef in oktober vorig jaar in Nouveau over zijn eigen littekens en die van zijn dochters. Hij deed vervolgens een oproep aan de lezers om een column in te zenden met littekens als thema.

Article continues after the ad

De auteur was nieuwsgierig naar wat het onderwerp bij mensen zou losmaken. Dat bleek veel te zijn gezien het grote aantal inzendingen. ‘Die waren heel divers,’ aldus Tommy Wieringa. ‘Veelal met de nadruk op de psychische littekens, soms ook trauma’s.’

Godsdienstwaanzin
Dat laatste geldt ook voor de winnares Hanny Willemsen-Bos. Zij schreef in Het verborgen litteken over de tragische gebeurtenissen uit haar vroege jeugd. Tommy: ‘Het is een verhaal over een lang vervlogen tijd, over godsdienstwaanzin en onmacht, ouderliefde en verlies. De schrijfster neemt je mee en overtuigt je volledig met haar herinneringen.’

Indringend
In de nieuwe Nouveau met covermodel Hedy d’Ancona zie je de winnares en lees je naast haar winnende verhaal een aantal fragmenten van andere inzendingen. Tommy Wieringa nodigt de winnares uit voor een etentje en een goed gesprek.

Hier kun je nu ook haar indringende column lezen en de complete versies van een aantal andere inzendingen, waaruit we in Nouveau 8/9 fragmenten hebben geplaatst.  

Dit is de winnende column

HET VERBORGEN LITTEKEN
door Hanny Willemsen-Bos


Nazomer 1962. ‘Hanny, zullen wij een eindje gaan wandelen?’ vroeg mijn moeder. Ik keek haar verbaasd aan, vroeg mij af waarom wij juist nu naar buiten zouden gaan. Mijn vader was immers een paar minuten geleden al gaan wandelen.

‘Ik wil even met je praten’, zei ze. Haar stem klonk onzeker. We liepen zo’n vijfentwintig meter achter mijn vader met zijn wandelstok, arm in arm. Het bevreemdde mij, als twaalfjarige, papa hoorde toch bij ons? ‘Ik denk dat papa weer ziek wordt’, zei ze. Wat bedoelde ze nou, en waarom liepen we zo’n eind achter hem?

‘Papa wordt weer overspannen, dat is hij al vaker geweest. Ook toen jij al geboren was, maar dat kun jij je niet meer herinneren.’ Mijn 52-jarige vader was invalide, hij mankeerde veel. Mama vertelde dat hij binnen afzienbare tijd niet meer zou weten wat hij deed en wat hij zei.

Vanaf die dag ging het in snel tempo bergafwaarts met mijn lieve papa. Hij was stapelgek op mij, een cadeautje na dertien jaar huwelijk. Hij was niet een vader tegen wie ik opkeek, nee, daarvoor was hij te zacht van aard. De situatie voor mij als brugklasser, bovendien ook nog enig kind, werd eigenlijk onhoudbaar.

Mijn leven ging niet over rozen maar ik geloof dat ik me goed staande heb gehouden

Ondanks het feit dat de oudere broers van mijn vader geregeld op bezoek kwamen en probeerden hun broer te ‘genezen’, had ik geen klik met deze mensen. Eén broer vormde een uitzondering, mijn oom Harm. Ik begrijp nu ook wel dat het moeilijk was voor hen om hun jongste broer af te zien glijden in heftige psychoses.

Waarom hij niet onder toezicht stond van een arts, begrijp ik nog altijd niet. Misschien waren ze destijds bang voor deze ziekte, deze psychose, of godsdienstwaanzin, of schizofrenie…

Wellicht is de bron van alle ellende te vinden in het Groningse Westerwijtwerd waar mijn vader in 1910 het levenslicht zag. Hij was het elfde kind van een dagloner, en verloor op zeer jonge leeftijd zijn beide ouders. Met alle gevolgen van dien.

Terug naar 1962. Ondanks de ellende thuis ging ik iedere dag vrolijk naar school en studeerde ik consequent. Niemand wist van de slapeloze nachten, de moeizame dagen; ik kon mij daarover niet uiten. Ik was eenzaam, maar om begrip of medeleven vroeg ik niet. Mijn mama had geen keus, zij moest al haar tijd en aandacht besteden aan mijn raaskallende vader. Zijn godsdienstwaanzin werd steeds sterker, tot het onhoudbaar werd. Ik veranderde in het Lam Gods voor hem, en het Lam Gods moest geofferd worden.

Mijn moeder heeft mij altijd beschermd. Zij sliep in een stoel naast mijn bed met een dekschaal vol messen, scharen en andere scherpe voorwerpen op schoot. In de slaapkamer naast ons hoorden wij mijn vader luid psalmen zingen.

De tragedie escaleerde. Op een ochtend in oktober liep mijn vader vanuit de keuken de kamer en suite binnen met een groot vleesmes om het Lam Gods te offeren. Ik zat in zijn geliefde rookstoel, mijn oom Harm sprong tussen ons in. Ik werd naar de buren gebracht, die ook geen idee hadden wat zich in mij afspeelde. Zoiets valt ook niet te begrijpen. Ik zweeg. Die dag werd mijn vader opgenomen in de psychiatrische inrichting Wolfheze.

Mijn vader was eigenlijk een slachtoffer van zijn geest; een zachte man, ongeschikt voor de tijd waarin hij leefde

Opluchting alom, mam en ik kregen onze rust terug. Samen konden wij toch wel weer genieten. Wij bezochten papa iedere woensdag- en zaterdagmiddag. Wij vertrokken vanuit Nijmegen met bus en trein naar de inrichting, gebouw Lindenhof.

Lindenhof was in mijn beleving een soort gevangenis, waar alle deuren op slot waren en mijn vader een gekooid dier was. We zaten in een grote huiskamer waarin nog meer gekke patiënten zaten met hun familie. Daar ontstond mijn angst voor mensen met een psychisch mankement. De bezoekdagen waren zwaar. Psychoses verdwijnen niet zomaar. De verhalen die mij vader mij vertelde zal ik mijn leven lang voor mijzelf houden.

Na ieder bezoek kreeg ik een beloning in een café achter het Wolfhezer stationnetje: een wafel met slagroom. Heerlijk. Het verzachtte de pijn. In de wintermaanden die volgden kwam ik weer een beetje tot mezelf. Met kerst mocht mijn vader met proefverlof naar huis, voor mijn moeder en mij was dat niet echt een gelukkig samenzijn. Ik hoorde dat hij in de Lindenhof elektroshocks had ondergaan en was bewerkt met koud water.

Het is 8 januari 1963. Er ligt een dik pak sneeuw, het is ijzig koud. Ik zit in de schoolbank als de directrice mij uit de klas haalt. ‘Je moet meteen naar huis, je vader is vanochtend om acht uur onwel geworden.’ Ik ben naar huis gefietst, en mama en ik zijn toen de laatste keer in bus en trein gestapt richting Wolfheze. Wij waadden tot onze knieën door de sneeuw. Helemaal achteraan in het gebouw lag mijn vader zielsalleen aan allerlei toeters en bellen. Hij had een aneurysma gehad, maar leefde nog. Zijn laatste waarden tegen mij waren: ‘Ach, mien wicht’. ’s Middags tien minuten voor drie stierf mijn vader Wim. Ik was er niet bij.

Inmiddels ben ik zeventig jaar. Echtgenote, moeder van twee dochters en oma van drie kleinkinderen. Mijn leven ging niet over rozen maar ik geloof dat ik me goed staande heb gehouden. Het vleesmes met het zwarte heft hebben mijn echtgenoot en ik ‘verbannen’. Messen die op het aanrecht slingerden heb ik lang niet kunnen verdragen. Door dat laatste beeld van mijn vader heb ik een enorm grote angst ontwikkeld voor medische apparatuur. Mijn bloeddruk viel niet op te nemen. Zo langzamerhand werd mijn litteken zichtbaar voor de buitenwereld.

Ik ging op zoek naar de ware gebeurtenissen rondom mijn vader. Toen ik in de veertig was wilde ik zijn medisch dossier inzien. Alle betrokken personen waren immers overleden, ik was de enige nabestaande. Helaas kreeg ik geen toestemming. Mijn vader zelf heeft een embargo op zijn dossier gesteld. Geen idee waarom. Lindenhof stond er nog altijd, als laatste oude gebouw. De rest was gesloopt, nieuwbouw was ervoor in de plaats gekomen.

Op 8 januari 2013 zijn mijn echtgenoot en ik naar Wolfheze getogen. Precies vijftig jaar na dato stond ik daar weer voor de deur. Een ijzeren afrastering beschermde het gebouw tegen ongewenste indringers. Aan de achterzijde zag ik het raampje van de sterfkamer van papa. Natuurlijk beleefde ik die dag in januari 1963 weer.

Daarna besloot ik het litteken te laten voor wat het was, tot zo’n twee jaar geleden. Opnieuw wilde ik terug naar die plek. Tot mijn verbazing waren de hekken rondom Lindenhof weg. Zou dat mooie oude gebouw gerestaureerd worden? Ik heb er niet naar gevraagd.

De angst voor medische apparatuur heb ik inmiddels overwonnen door EMDR. Ik leg mijn arm nu rustig in de band van een bloeddrukmeter. Het litteken in niet meer zo rauw. Ik weet nu dat mijn vader niet anders kon. Hij was niet gek, al werd hij opgenomen in wat men toen een gekkenhuis noemde. Nee, mijn vader was eigenlijk een slachtoffer van zijn geest; een zachte man, ongeschikt voor de tijd waarin hij leefde. Ik heb hem maar kort gekend, ik heb hem gehaat, maar nu weet ik dat ik van hem houd.

Mijn litteken is tot een streepje geworden, onzichtbaar voor vrijwel iedereen, behalve voor degenen die van mij houden.

Uit deze columns plaatsen we een fragment in Nouveau 8/9 omdat ze ons raakten.

De vlucht door Amir Andriesse

Litteken door Karen van Dellen

Een zeemeermin door Elisabeth ten Cate