Ooit probeerde ik, nog net geen twintig, toelatingsexamen te doen voor de Toneelacademie in Maastricht. De afwijzingsbrief die ik kreeg, is tot de dag van vandaag een bron van vermaak ge-bleven, een relikwie waaruit ik bij tijd en wijle graag citeer.

‘Er is geen talent, en ook geen zicht op de ontwikkeling van enig talent de komende jaren, wij adviseren U dringend, in de toekomst geen op toneel gerichte toelating meer te proberen, daar die onvermijdelijk in afwijzing aan onze academie zal resulteren.’
“En gelijk had ze, de toelatingscommissie, want ik kon er natuurlijk geen hout van.
Hoe ik na een paar omzwervingen toch in Maastricht terechtkwam en er zelfs de eerste student aan de Toneelacademie werd, die met twee diploma’s afstudeerde, zal ik u besparen.
Feit is, dat ik in 1981 afstudeerde in Maastricht zonder Nederlands contract op zak: gemiddelde talenten werden toen en nu niet heel erg gezien in Theaterland... Daarnaast was de ‘bruikbare’ acteur uit de gratie en was werk krijgen bij een toneelgezelschap al enige jaren niet meer vanzelfsprekend.
Wat ik wel had, was de dwingende wil om keihard te vechten voor elke millimeter vakkennis en de overtuiging om ooit tot de besten te willen behoren. Zo lag ik op een dinsdag in augustus 1981 in moeders bed, ‘s morgens om half negen te bedenken wat ik aan moest met mijn beroepsmatige leven... Hoe ik weg kon komen uit de plaats waar ik geboren ben: Tegelen.
En toen, al dan niet door bemiddeling van het Opperwezen, maar dat zal ik als atheïst nooit weten, gebeurde het: Joop van den Ende belde, met de vraag of ik naast Mary Dresselhuys wilde spelen in Harold en Maude. Een wereldberoemd toneelstuk. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik al eerder auditie had gedaan voor deze Harold, de rol van een morbide einzel-gänger, maar vanwege mijn hoge leeftijd was afgewezen. Ik was immers al 26 en de rol vroeg om iemand van een jaar of achttien...
Alsof er nooit een ander leven voor me had bestaan, stond ik de volgende ochtend in Amsterdam te repeteren met Mary en de rest van de cast; Guus Hermus als regisseur, die me behandelde alsof ik de zoon was die hij zelf nooit had gehad.
De première leidde tot grote triomfen, de kritieken waren fantastisch en ik had mijn eerste optreden in de Stadsschouw-burg te pakken, alwaar mijn moeder, voor het eerst van haar leven in Amsterdam, vol ongeloof zat te kijken naar zo veel mensen die ze alleen van televisie kende... Mijn vader was er niet bij, hij was zes jaar eerder gestorven, maar ik wist op het moment dat het doek viel, dat de door Pa gewenste carrière in de muziek nu voor mij begon aan het toneel.
Een jaar later speelde ik de hoofdrol in 
De Lift en alle dromen die ik nooit had durven dromen op de academie, waren in één klap werkelijkheid geworden. ‘Talent is belangrijk en moet gekoesterd worden, maar het talent om ermee om te gaan, 
is zeker zo belangrijk,’ zei Guus Hermus een keer tegen me. Die waarheid, die snoeihard werken tot gevolg had, heeft me vaak geholpen en is tot vandaag geen moment uit mijn systeem geweest.
Huub Stapel (1954) studeerde aan de Toneelschool van Maastricht en woont in Amsterdam. Hij heeft twee volwassen zonen.

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.