Hoogzomer. Tot mijn zesde jaar was ik dan elke dag buiten. Tenten bouwen in de tuin, met houten wasknijpers en ouwe lakens. Alle kinderen uit de buurt op visite; onze snoepwinkel-annex-kleine-grutterij was altijd de zoete inval.

Tijdens die zorgeloze jeugd in Limburg waren de zomers warm, zonnig en vooral eindeloos. En de buurt was een paradijs voor een opgroeiend kind. In ‘de geheime wei’ groeven we kuilen, mijn broer en ik. In onze winkel verkochten we nog sigaretten per stuk. Van mijn broer moest ik er dan een gaan halen — stelen eigenlijk — want die smaakte zo heerlijk na het 
graven. De winkel had ook een afdeling ‘eerste levensbehoeften’, van Tante Blank-schuurblaadjes tot hagelslag en Brillo.
‘Anneke van het trapje’ heette onze winkel in het Nederlands. Je kon je er vergapen aan allerlei heerlijks en voor een kwartje had je een zak vol lekkers. Twee Belga-kauwgoms voor een stuiver, tien dropmunten voor een dubbeltje en daarbij nog een nougatblok en een spekje van Hoepman. Pa kocht altijd veel spekken in, omdat de firma Hoepman bij afname van tien dozen een mooi cadeau meeleverde, de ene keer een fijn Oost-Duits horloge, de andere keer een fraaie kinderwekker uit China.
In het jaar dat ik zes werd, verkochten mijn ouders de winkel-annex-woonhuis en verhuisden we naar een nieuwbouwpand met een klein tuintje aan de doorgaande weg van Venlo naar Roermond. Weinig spannends aan. Wél spannend, was de 
douche. Voortaan hoefden we nooit meer in de teil, maar leerden we zuinig om te springen met warm en koud water, dat tegelijkertijd uit één kraan stroomde, in één straal, een mirakel!
Mijn jongste broer Peter en ik hadden met het oog op de aanstaande sluiting van de winkel al wat lekkers achterovergedrukt, maar ons hopeloos verkeken op de mogelijkheden al die zoetigheid ook op te eten, dan wel te verbergen. En zo kon het gebeuren dat we in het Volkswagenbusje van mijn vader met een mondvol kauwgom zo misselijk zaten te zijn, dat Ma niet begreep waarom de jongste twee ineens symptomen van wagenziekte vertoonden... Bij aankomst op het nieuwe adres viel ik 
spugend op het plaveisel, niet meer in staat tot wat dan ook.
Ons leven was voorgoed veranderd. In onze nieuwe buurt speelden we op bouwplaatsen en doken we weg onder stapels hout als de politie weer eens gewaarschuwd was. Onze grootste hobby was om bij het nonnenklooster, twee straten verderop, de muur over te klimmen en de tuin in te rennen, om vervolgens te ontsnappen aan de Duitse tuinmannen die ons scheldend en tierend achternazaten.
Toen ik in 1981 naar Amsterdam verhuisde, was een van de eerste zorgen het vinden van een goede tandarts, om de sporen van de snoepwinkel uit mijn jeugd voorgoed uit mijn mond te verbannen. Het salaris van mijn eerste rollen ging dus niet alleen op aan eten en huur; een flink deel werd gebruikt om mijn gebit weer in een toonbare staat te krijgen. Toen de totale renovatie van mijn mond vele jaren later was afgerond, was ik veertigduizend gulden armer, maar een stralende, hoogzomerse lach rijker. Om dat te vieren, mocht ik in het kader van een tv-programma naar Mariska, de dochter van PvdA-coryfee 
Jan Schaefer, die in de Jordaan een snoepwinkel was begonnen. Tranen met tuiten heb ik gehuild, op camera…
Niet alleen was de herinnering aan onze winkel me te veel, ook het feit dat ik met mijn eerste salaris meer verdiende dan mijn vader met zes kinderen ooit had 
kunnen opbrengen, kwam binnen als een baksteen. De zomer blijft voor mij voor altijd mierzoet verbonden met de eerste zes zorgeloze jaren van mijn leven: Spoorstraat 63, ‘Anneke van het Trepke’.
Huub Stapel (1954) studeerde aan de Toneelschool van Maastricht en woont in Amsterdam. Hij heeft twee volwassen zonen.

Klik hier voor meer columns van Huub Stapel

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.