José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.  
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. In Nouveau schrijft ze over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. "Ben ik een met alle winden meewaaiende, labiele figuur?"

Wie kent ze niet: die vrouwen met een onwrikbare stijl?

Die als ze eenmaal hebben gekozen voor strakke, knielange jurkjes en hoge hakken, nooit zullen zwichten voor een boyfriend jeans en Stan Smith-gympen. Hun kast straalt een strakke voorkeur uit voor wit, zwart en blauw. Zij zullen nooit een rode kaftan kopen, zelfs niet als die zich met 70% korting aan hen opdringt.

Vriendinnen met een standvastige smaak kan ik zo benijden. Zoals Elma, altijd met een kort, witblond kapsel in een elegante, nauwsluitende jurk. Cornelie, met haar je ne sais quoi van een Parisienne, in haar casual jeans met een simpel overhemd, of Kyra met haar grijze opgestoken haar, kasjmieren vestjes en Chelsea boots. Nee, dan ik.

Lees ook: José Rozenbroek: 'Ma-am, je luistert niet!'

De - dit voorjaar in New York voor een klein ver­mogen aangeschafte - Roger Vivier-pumps heb ik zegge en schrijve één keer gedragen, net als de klassieke Diane von Fürstenberg-jurk. Voor beide ben ik gezwicht in een vlaag van Claire Underwood-navolgingsdrang; Claire is de onberispelijk geklede presidentsvrouw uit de serie House of Cards. Die bevlieging duurde maar kort. Deze zomer droeg ik bij voorkeur mijn Lois-jeans met gerafelde uitlopende pijpen en Gucci-loafers. Ook mijn interieur en zelfs mijn smaak in kunst zijn een mix & match.

Gisteren liep ik door het Stedelijk Museum met een vriend, die vroeg wat ik nou het mooist vond van wat daar hing. We bezochten de tentoonstelling De opwinding van Rudi Fuchs en wandelden langs de Dibbetsen en de Pencksen. Hoewel ik weigerde te kiezen, raakte ik enigszins in de war van zijn vraag. Hou ik meer van abstract of van figuratief? Van het geheimzinnige blauw van de Cathedra van Barnett Newman, of zo’n ijl geschilderd vrouwenportret van Marlene Dumas?
Hoe langer ik nadacht, hoe groter de identiteitscrisis. Wat zegt het over mij, dat ik van strak en uitbundig hou, van kleurrijk en ingetogen, flamboyant en minimalistisch? Waarom wil ik Claire zijn, en dan weer een coole Parisienne? Ben ik schizofreen? Een met alle winden meewaaiende, labiele figuur? “Welnee,” zei de vriend die mij langer kent dan vandaag. “Je bent gewoon een Tweeling: grillig, flexibel, rusteloos, open-minded.” En, na enig nadenken: “Eigenlijk maakt dat jou behoorlijk voorspelbaar.” 

Deze column is eerder gepubliceerd in Nouveau.