Elke maand schrijft José Rozenbroek over haar dagelijks leven als werkende, single vijftiger in Amsterdam. “Soms duizelt het me wel eens.”

Met haar lange lijf ligt ze al een paar dagen op de bank. Snotterend en grommend, want dat ze ziek is, zint haar niks. Haar gezicht bloost van de koorts. Ik ren heen en weer met bordjes fruit, kommetjes soep en kopjes thee. Onderwijl werk ik aan de eettafel aan een artikel, bel ik met freelancers (‘Jij belt echt nog ouderwets veel, mam.’), beantwoord ik mijn mail. Tot de volgende klaaglijke kreet me uit mijn concentratie haalt: ‘Mam! Mijn keel doet zo’n pijn.’ ‘Mam, ik heb het zo heet.’ ‘Ma-am! Je luistert niet!’
Ha! Sinds tijden ben ik niet zo nodig geweest. Ik geef toe; dat voelt fijn. Sinds die dochters van me op kamers wonen, speel ik slechts een bijrol in hun leven. Naar mam ga je om gezellig een kopje thee te drinken, je te verschuilen onder een dekentje als je ziek of brak bent en voor een gezonde maaltijd. Natuurlijk, je gaat ook naar haar om uit te huilen als je liefdesverdriet hebt, of omdat het leven soms gewoon rot is. Maar laten we wel wezen: als twintiger draait het leven om studie en werk, vriendjes en vriendinnen en vooral om jezelf. Hoe zorgwekkend zou ’t zijn als ik in deze fase de Belangrijkste Persoon in hun leven was.

Lees ook: José Rozenbroek: 'In Parijs bracht ik mijn eerste echte liefdesnacht door'

Toen ze vier jaar geleden allebei het huis uit gingen greep het emptynestsyndroom me bij de strot. Langzaam groeide het idee dat ik, net als die meisjes van me, toe was aan een Grote Stap. Ik zette ons huis in Haarlem te koop, ondanks hevige protesten (‘Maar mam! Dan hebben we geen Ouderlijk Huis meer!'). Amsterdam lonkte, de stad waar ik al minstens vier keer per week te vinden was voor werk en vrienden. En toen het huis eenmaal was verkocht, ging ik op zoek naar een nieuwe stek. Het werd het meest verrukkelijke appartement dat ik had kunnen dromen. 
De laatste nacht in ons oude huis sliepen we met ons drieën in mijn bed en namen we afscheid van hun kindertijd. De volgende dag trok ik de deur achter me dicht. Klaar. Volgende ronde.
Zo denkt Lot er blijkbaar ook over. Ze gooit het dekbed van zich af. Even later hoor ik de douche lopen. Na een half uur komt ze binnen, met schoongewassen haren en gehuld in mijn nieuwe bloesje. ‘Mam, ik ga ervan door.’ ‘Weet je het zeker? Je moet goed uitzieken, hoor!’ 
Maar buiten lokt de zon, ze mompelt nog iets over ‘change of setting’ en weg is ze.

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

En opeens sta ik op mijn hoofd. Nog niet helemaal op eigen kracht – Marloes, mijn yogajuf, houdt me vast bij mijn taille – maar het lukt 
me zowaar mijn benen te strekken en een minuut te blijven staan. Wow, this is exciting! Ondersteboven grijns ik van oor tot oor. Dat moet een vreemd gezicht zijn.

Het begon allemaal een paar jaar geleden en goed beschouwd per ongeluk. Ik had een ­schouderblessure opgelopen bij de bodypump, mijn spinningschoenen waren gestolen uit de kleedkamer van mijn sportschool na een af­mattende sessie waarbij ik het snot voor mijn ogen had gefietst. Omdat ik toch iets moest van mijzelf, schreef ik me in voor een yogalesje. Niet zonder vooroordelen: ik verwachtte voornamelijk bejaarde dames en een dito juf die op het geluid van klingelende belletjes spirituele taal zou bezigen. Tot mijn verbazing was ik de oudste; om mij heen zag ik voornamelijk fitgirls in strakke leggings en tanktops. De juf had gespierde billen waar ik een moord voor zou doen. In de zaal was het kil, ik rilde in mijn hemdje, terwijl ik voor het eerst in mijn leven op een yogamatje mijn adem ‘stuurde naar de pijnpunten’ in mijn lijf. Langzaam werd de les opgebouwd en na een kwartier begreep ik waarom de airco op volle toeren draaide. Sodeju, dit was poweryoga, waarbij de ene oefening na de andere in hoog tempo werd uitgevoerd en alle 650 skeletspieren een flinke beurt kregen. De volgende dagen had ik spierpijn. Spierpijn van de yoga – ik kon het niet geloven. De week erop ging ik weer, en al gauw was ik verslaafd aan mijn wekelijkse sessies. Ik probeerde ook wat andere vormen van yoga uit: hatha, yin, noem maar op, en ik vond het allemaal fijn. 

Maar de poweryoga van Marloes vind ik toch het allerfijnst. Erna voel ik me soepel, sterk en ook mentaal verlaat ik geheel opgefleurd en zen de zaal. Op één ding na: als yogabeoefenaar wordt mij elke week verteld dat het gaat om de intentie, niet om het resultaat. Dat ik, kortom, mijn ego moet verbannen. Dat blijkt voorlopig te veel gevraagd van een ambitieus type als ik. Pas als ik die kopstand geheel zelfstandig kan, en de billen van Marloes bezit, pas dan is deze yogi een echt tevreden mens.
 

José Rozenbroek is bladenmaker, journalist en coach. Elke maand schrijft ze in Nouveau over haar drukke leven met dochters, vrienden en werk. 

Als ik me in een gesprek laat ontvallen dat ik op Tinder zit, kan ik twee reacties verwachten. Of de ander vertrekt geen spier - want wie zit er nou niét op Tinder? - of hij of zij valt achterover van verbazing. ‘Wat, jij? Maar op Tinder zitten toch alleen maar mensen die op seks uit zijn? Zielige, eenzame, perverse mensen? Wat moet jij daar?’ Ik moet daar altijd om lachen. Of seks iets vrese­lijks en viezigs is, uitsluitend bedoeld voor eenzame, zielige, perverse mensen. Nu moet ik bekennen dat ik tot een jaar geleden ook dacht dat je op Tinder uitsluitend onenightstands kon scoren. Totdat ik hoorde ik dat een man, die ik in het geheim bijzonder leuk vond, verliefd was geworden op een vrouw die hij via dit dating­platform had ontmoet. Aanvankelijk was ik in shock. Toen was ik om.

Een profiel was snel aangemaakt en daarmee kon het spel van swipen en liken of afwijzen beginnen. In het begin deed ik dat met kloppend hart: ‘Stel je voor dat ik hier betrapt word door een bekende!’ Toen realiseerde ik me dat die bekende zich net zo betrapt zou kunnen voelen. En ik kwam ze inderdaad tegen: kennissen en collega’s, gebonden en ongebonden. Ik swipete ze snel naar links, weg ermee, zoals je in het echte leven een andere kant zou opkijken wanneer je iemand ziet die je op dat moment niet wilt zien. Het bleek een democratisch platform bij uitstek, waarop zowel bouwvakkers als bankiers voorbijkomen. Beschaafde intellectuelen die informeren welke krant je leest en getatoeëerde bonken die geen woord zonder spelfout kunnen tikken. Mannen die er ruiterlijk voor uitkomen dat ze graag een zweepje hanteren en stoute dingen met je willen doen, maar ook brave borsten die samen op de bank naar Heel Holland bakt willen kijken.

Maar tinderen bleek vooral vrolijker dan ik dacht. Ik heb inmiddels verschillende tindermannen ontmoet, saaie en speelse tinderconversaties gevoerd, opwindende en slaapverwekkende tinderdates gehad. Ik heb er zelfs een vriendschap uit gesleept, met een Italiaan die ik nog nooit heb gezien, maar die me elke dag virtuele rozen stuurt en die mij leert hoe ik spaghetti vongole moet maken: ‘Noo, not like Jamie! Is Jamie Italian?!’ Alleen die ene zielsverwant; inderdaad, goed dat je ernaar vraagt. Nee, die heb ik nog niet gevonden.